Is onze woede een reden voor ontslag?

Ik begrijp, schreef hij aan het personeel „dat voor velen van u mijn aftreden een schok betekent. Juist daarom spreek ik mijn grote vertrouwen uit in de toekomst (...), in mijn opvolger, mijn medebestuurders en alle medewerkers.”

Nee, da’s niet de afscheidsbrief van Piet Moerland, die dinsdag per direct vertrok als bestuursvoorzitter van de Rabobank. Het citaat is van Wim Scherpenhuijsen Rom, die op 20 september 1992 per direct was vertrokken als bestuurvoorzitter van ING. Schokkend, inderdaad.

Hij ging weg na een onthulling in de Volkskrant over een twijfelachtige privébelegging met een grote klant van de bank. De onthulling volgde op een reeks affaires over privéhandel bij de voormalige NMB, de bank die met de Postbank en verzekeraar Nationale-Nederlanden was gefuseerd tot ING. In een cruciale vergadering verloor Scherpenhuijsen Rom het vertrouwen van De Nederlandsche Bank én van ING-president-commissaris Johan Witteveen, schrijft Marcel Metze in De geur van geld, zijn kroniek van de fusies en ontsporingen van de geldgiganten een kwart eeuw geleden.

Het geforceerde vertrek van Scherpenhuijsen Rom was een breuk in het toezicht van De Nederlandsche Bank op de geldwereld. Dat toezicht is gebaseerd op een vergunning om als bank actief te zijn. Je krijgt ’m niet zomaar en de vergunning intrekken is het ultieme dreigement als De Nederlandsche Bank iets niet zint.

Bankentoezicht draait om bescherming van de spaarder. Daarom moet een bank voldoende kapitaal hebben om stroppen op te vangen. Dat is het ‘harde’ getalsmatige toezicht. Na deze ING-affaires raakte ook het ‘zachte’ toezicht in zwang, toezicht op normen en waarden. Een grijs gebied, waar De Nederlandsche Bank het laatste oordeel velt over een bankbaas. Mogen blijven, of moeten vertrekken.

Tekortschietende integriteit is sindsdien reden voor vertrek. Dat kwam naast twee traditionele redenen: de greep in de kas en het machtswoord van de aandeelhouders. Dat laatste leek lang louter theorie. Zo machtig waren aandeelhouders niet. Totdat ABN Amro in 2007 werd opgekocht en Rijkman Groenink kon vertrekken. Totdat banken gered en genationaliseerd moesten worden: exit Michel Tilmant (ING), exit Ronald Latensein (SNS Reaal).

In de openbare ‘ontslagbrief’ voor Moerland met de maatregelen en de onderzoeksuitkomsten van de rentemanipulatie schrijft Jan Sijbrand, directeur toezicht van De Nederlandsche Bank:„DNB benadrukt dat zij niet twijfelt aan de persoonlijke integriteit van de heer Moerland.”

Ja, dat moest er nog bijkomen. Als die twijfel er wel was, had Moerland meteen kunnen inpakken. Door expliciet te noteren waaraan hij niet twijfelt, roept Sijbrand de vraag op waaraan hij dan wél twijfelt. Die vraag beantwoordt hij niet. Maar dat laat zich raden.

Moerland moest weg omdat De Nederlandsche Bank een nieuwe toets heeft geformuleerd: is hier sprake van maatschappelijke woede na falend leiderschap? Ja, dus. Zoals minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem (PvdA) zei: dit is schaamteloze fraude die te lang heeft geduurd.

De kredietcrisis heeft het aanzien van de banken voor ten minste een generatie onttakeld. Dat heeft geleid tot een escalatie van nieuwe regels en belastingen, maar ook tot nieuwe normen die doortastend worden toegepast. Het alom bekritiseerde weifelende toezicht op de DSB Bank is daaraan ook debet.

Wie niet de volgende Moerland wil zijn, weet wat hem of haar te doen staat. Meer aandacht, tijd en bedrijfswinst investeren in eigen bedrijfscultuur en interne controles. Wie twijfelt aan zijn succes daarmee, rest één andere optie: een rem op groei naar steeds weer nieuwe activiteiten en internationale uitbreiding. Wereldspeler klinkt glorieus, maar is een ander woord voor onbeheersbare risico’s.

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.