Het verlangen naar nestwarmte bij PSV

Sta je als jong voetballertje van PSV na de training te wachten op de auto of het busje dat je naar huis zal brengen, moet je opeens achteruitspringen! Omdat anders die grote mannen, de spelers van het eerste, de sterren die je bewondert, over je tenen rijden. Die profvoetballers van tegenwoordig, ze zien je gewoon niet meer staan. Ach, wat was vroeger alles beter bij PSV. Toen de profs de kinderen nog een gevoel van trots gaven, zelfs al waren ze eigenlijk niet zo talentvol.

Wie het deze week uitgelekte rapport van het clubforum van PSV doorleest, stuit op meer van zulke passages die nostalgie verraden naar de tijd die eens was. Een verlangen naar „nestwarmte”. Helaas is er binnen de club „een breed gevoel van onbehagen”. De interne en externe communicatie is „van tijd tot tijd zeer gebrekkig en onprofessioneel geweest”. De medewerkers van het PSV-stadion ervaren „een gebrek aan waardering” en die van de jeugdopleiding zelfs „een chronisch gebrek aan waardering”. Vrijwilligers worden geconfronteerd met „een afschuifcultuur”. Sommige trainers bij de jeugd voelen zich „verheven boven anderen”.

Zo gaat dat maar door. Het is allemaal samen te vatten in een oer-Nederlands woord dat in het rapport ontbreekt: het is bij PSV niet meer gezellig. De ondertitel van het rapport bevat deze, samenvattende aanbeveling: De thermostaat moet een paar graden hoger!

Is het heimwee naar die aimabele oud-voorzitter over wie ooit het boek Harry van Raaij, vader en voorzitter verscheen? Algemeen directeur Tiny Sanders, ex-topman van Campina, gaf dinsdag op een inderhaast belegde persconferentie meteen toe dat ook zijn vrouw vindt dat hij wel wat empathischer mag zijn. Tot zover de humor.

Veel tijd op deze bijeenkomst werd besteed aan het verdriet bij de leiding over het uitlekken van het rapport naar een journalist van Voetbal International, hoewel alleen de conclusies openbaar zouden worden gemaakt. „Helaas heeft iemand het nodig geacht PSV grote schade toe te brengen”, zei Sanders. Ook technisch manager Marcel Brands trok er een begrafenisgezicht bij toen hij zei hoe geraakt hij was: „Ongelooflijk.”

Misschien hoort dat lekken wel bij de clubcultuur. Maar wat is er verder zo erg? Vraag medewerkers in een bedrijf of organisatie onder de belofte van anonimiteit naar hun mening over hun leidinggevenden en het resultaat zal meestal iets zijn wat stevig contrasteert met de felicitaties die zij op verjaardagen van hun ondergeschikten plegen te krijgen.

Dus zo bijzonder is het ook weer niet, dat rapport, en wat de grote schade ervan zal zijn, is een raadsel. De tijd dat er bij clubs dagelijks een ome Toon of een tante Nel aanwezig was bij wie je altijd wel een bakkie kon doen, is voorbij.

Gezellig zal het ook niet zijn bij FC Utrecht, dat het boekjaar afsloot met een schuld van zeven miljoen euro en afgelopen zomer de grootste afgang uit de geschiedenis voor het Nederlands clubvoetbal voor zijn rekening nam door zich voor Europees voetbal te laten uitschakelen door een tegenstander uit Luxemburg. Gezelligheid is evenmin troef bij Vitesse, waar een onwillige speler vorig jaar te horen kreeg: „Je moet niet fucken met de Russen!” (Zie het boek Voetbalmaffia in de lage landen van Iwan van Duren en Tom Knipping.)

Voetbalclubs zijn geen verenigingen meer, maar bedrijven, zij het wel van een bijzondere soort: winstmaximalisering bestaat uit sportief succes, het doel is niet aandeelhouders financieel te bevredigen. Zoals het voetbalgezegde luidt: het kapitaal staat op het veld. Maar PSV was wel aan sanering toe, als gevolg van financieel wanbeleid in het verleden. Met saneren maak je geen vrienden, hoe hoog de thermostaat ook wordt gezet. Het is per definitie een kil proces.

Wat niet wegneemt dat Tiny Sanders best wat aardiger mag worden. Hier en daar een aai over de bol doet wonderen. Hij weet het nu. „We barsten van de waardering”, zei hij. Mevrouw Sanders en anderen gaan warme tijden tegemoet.

John Kroon is redacteur en commentator bij NRC Handelsblad