Het Sinterklaasfeest is niet racistisch te noemen

Waarom de intocht van Sinterklaas in Amsterdam toch een vergunning krijgt, verklaart Eberhard van der Laan.

Het meest in het oog springende aangevoerde bezwaar gaat over de figuur van Zwarte Piet. De bezwaarden stelden dat het evenement in zijn huidige vorm een racistisch fenomeen is. Ik ben mij bewust van de gevoelens van de bezwaarmakers maar ook van de Sinterklaasliefhebbers. Sinterklaas is een traditioneel kinderfeest. Een sprookje en een toneelstuk, waaraan vrijwel iedereen meedoet. Het is een lieve en geliefde traditie. Alleen al in Amsterdam brengt de intocht 3 à 400.000 mensen (veelal kinderen) op de been.

Delen van de traditie zijn vele honderden jaren oud. In de 19de eeuw kwam een stereotype zwarte persoon als knecht op het toneel. Hij kon worden verbonden met slavernij. De traditie is dus allerminst statisch. In de laatste vijftig jaar verloor Zwarte Piet op pedagogische gronden zijn boemankarakter. En Zwarte Piet evolueerde van de stereotype onderdanige ‘zwarte knecht’ naar de vrolijke ‘clown’, die niet langer krom praat, geen kroeshaar of dikke lippen hoeft te hebben, en niet noodzakelijk zwart is van zichzelf maar duidelijk geschminkt, bijvoorbeeld om schoorsteenroet te suggereren. Zwarte Piet is in het spel degene die problemen maakt én oplost.

Het feest zelf is in zijn hedendaagse verschijningsvorm (doorgaans) niet racistisch te noemen en in wezen eerder verbindend. Maar (de geschiedenis van) het feest kan wel tot racistische uitingen aanleiding geven. Bijvoorbeeld als donkere mensen in het dagelijks leven Zwarte Piet worden genoemd. Het gaat er om dat dergelijke uitingen pijn doen.

Waar dergelijke pijnlijke ervaringen bestaan en — door het slavernijverleden — mede aanleiding vinden in delen van de Sinterklaastraditie, althans in de geschiedenis daarvan, is er reden om te zien of we dit probleem kunnen oplossen. Want wij mogen empathie van elkaar verwachten bij het stellen en oplossen van problemen.

‘Wij’ is niet een burgemeester die de evenementenvergunning voor een intocht verleent. Reeds omdat dit geen lokale maar een landelijke kwestie is. Maar belangrijker is dat het geen bestuurlijke kwestie is of zou moeten zijn. Naar zijn aard is de vraag naar de (on)wenselijkheid van aanpassing van een volkstraditie een vraag voor het volk of de samenleving. Zo beschouwd is de grootscheepse actuele discussie precies wat gebeuren moet. Het is vervolgens primair aan alle Sinterklaascomités, die uit vrijwilligers bestaan en in de samenleving staan, om aan die discussie conclusies te verbinden. Ministers en burgemeesters, het parlement en de gemeenteraden kunnen hooguit hun best doen deze discussie in goede banen te helpen leiden, alles om er toe bij te dragen dat het Sinterklaasfeest een feest voor iedereen is. Dit geldt overigens ook voor een internationale organisatie als de VN.

Na raadpleging van college en gemeenteraad wil ik voor wat betreft de inhoudelijke inzet aansluiten bij Hoofdpiet Erik van Muiswinkel. Hij schrijft: „Zwarte Piet moet natuurlijk blijven maar we moeten ermee doorgaan om Piet steeds minder zwart en minder knecht te maken (NRC Handelsblad 22 oktober 2013).”

Krompraat, kroeshaar, dikke lippen, oorringen en onderdanigheid bevestigen de door menigeen gevoelde band met slavernij en zijn daarom te vermijden. Hoe zwart Zwarte Piet kan blijven zal wel blijken. Zwarte Pieten met blonde haren, overduidelijk geschminkte Pieten, Pieten met roetvegen, of gekleurde Pieten, het is allemaal mogelijk. Onderdanigheid kan op vele manieren verder dan nu worden tegengegaan. Sinterklaasliedjes kunnen worden ontdaan van dubieuze teksten. Dat kan gerust aan de fantasie van de comités worden overgelaten.

Bij dit alles moet geleidelijkheid voorop staan. Dat is ten eerste nodig voor de jonge kinderen (tussen drie en acht jaar) die door te snelle ingrijpende veranderingen in de war zouden kunnen worden gebracht. Dat is ook nodig omdat het veel goedwillende mensen met warme gevoelens voor het Sinterklaasfeest in zijn huidige vorm zwaar valt dat aan hun feest en jeugdherinneringen wordt getornd. Dat past verder bij de aard van de discussie, waarbij nu moeilijk te voorzien is wanneer de angel er uit getrokken is. Bovendien is het nodig dat positieve lokale ervaringen landelijk gedeeld worden om te kunnen worden nagedaan, en ook dat vraagt tijd.

Zou het niet goed zijn om er gezamenlijk naar te streven dat 1) zo snel mogelijk een volgende stap wordt gezet en dat 2) over bijvoorbeeld vijf of tien jaar het Sinterklaasfeest daadwerkelijk een feest is voor iedereen?

Iedere partij in deze discussie, dat zijn in beginsel bijna 17 miljoen mensen, heeft respectabele belangen. Het is van belang dat de discussie niet wordt gevoerd ten koste van de kinderen om wie het allemaal te doen is. Demonstratievrijheid is een tamelijk heilig recht in ons land, maar ook voor demonstranten geldt de eis van tolerantie. Daargelaten wat er juridisch van gezegd kan worden, gaat het verstoren van een Sinterklaasintocht in moreel opzicht duidelijk te ver. Dat geldt naar mijn oordeel ook voor het opzettelijk in de war brengen van jonge kinderen door in het openbaar te roepen dat Sinterklaas niet zou bestaan. Discriminerende uitlatingen zijn vanzelfsprekend niet toelaatbaar.