Geroofde kunst gedijt niet beseffen de musea, en terecht

Op de dinsdag gepubliceerde lijst met 139 kunstwerken in Nederlandse musea, waarvan is aangetoond dat ze tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn geroofd, geconfisqueerd of onder dwang zijn aangekocht door het naziregime, staan werken van grootheden als Kandinsky, Memling en Matisse, van Israëls en Breitner.

De twee zilveren zoutstellen van de zeventiende eeuwse Nederlandse zilversmid Johannes Lutma de Oudere vielen nauwelijks op. De beide ranke smeedwerken – kleine zoutbekkens gedragen door zilveren golven en op dolfijntjes rijdende jongetjes – komen oorspronkelijk uit één collectie. Kenners wist dat deze stellen de kostbaarste werken op de lijst zijn. Elk stel zou naar schatting „enige tientallen miljoenen” euro’s kunnen opbrengen. Maar dat is nattevingerwerk, aangezien dit type zeventiende-eeuws zilverwerk zo zeldzaam is dat het nooit op de markt komt.

De immateriële waarde is wel te peilen. Op de website van het Rijksmuseum staat het zoutstel van Lutma in de galerie ‘Wat je niet mag missen’. Het stel in de collectie van Amsterdam Museum is gedefinieerd als kern van de aan de Gouden Eeuw gewijde zaal.

De lijst met 139 stuks ‘roofkunst’ is de uitkomst van een onderzoek dat is ondernomen op initiatief van 162 musea, met hulp van de commissie ‘Museale verwervingen vanaf 1933’.

Wie een onderzoek laat doen, moet de uitkomst serieus nemen, ook als die pijn doet. Zo zocht Museum Amsterdam direct contact met de advocaat van de erfgenamen van de oorspronkelijke eigenaar. Het museum kondigde aan het eigendom van het zoutstel desgewenst voor te leggen aan de restitutiecommissie. Adviseert die teruggave dan verdwijnt het zoutstel uit zijn collectie. Dan gaat het terug. Mochten de erven het te gelde willen maken, dan is dat hun zaak.

Ook andere musea met kunst die uit Joods bezit geroofd blijkt te zijn, kondigden aan zich schappelijk op te stellen. Dat lijkt logisch maar het is, gezien het getouwtrek kort na de oorlog in bijvoorbeeld de zaak-Goudstikker, prijzenswaardig. Het desavoueren van claims kwetst de erven en in hen de slachtoffers van de Holocaust. Op de lijst staan meesterwerken die we graag in de Nederlandse museumzalen zouden houden. In particulier bezit zullen ze onzichtbaar zijn. Anderzijds, als ze in de oorlog niet geroofd zouden zijn, was het wellicht niet anders geweest. Nu heeft het publiek er in elk geval sinds 1960 van kunnen genieten.

Goed overleg en erkentelijkheid voor jaren van zorg en onderhoud kunnen de erven aanleiding geven voor een bruikleen of een schappelijk prijs binnen het museumbudget. Het publiek doet er goed aan snel de musea te bezoeken, om te genieten zolang het kan.