Geen puf meer voor opportunisme

Een Zuid-Amerikaanse havenstad raakt verstikt door algen. De verhalen van de bewoners, opgetekend door een Nederlander, leveren een schitterend boek op.

Foto John Giddens

Dat geslachten die gedoemd zijn tot honderd jaar eenzaamheid geen tweede kans krijgen op aarde wisten we sinds de verschijning van Gabriel García Márquez’ klassieker 47 jaar geleden. Daarin wordt de laatste telg van de familie Buendía tenslotte door de rode mieren weggedragen.

Het laatste kind, de eerste roman van Gilles van der Loo (1973) doet sterk denken aan het vervalgestuurde slotdeel van Honderd jaar eenzaamheid. Plaats van handeling is de Zuid-Amerikaanse havenstad Palladina. Van der Loo spiegelt zich in positieve zin aan de grote magisch-realisten van de Latijns-Amerikaanse boom: bij hem geen opgeblazen wonderlijkheid, maar een realistische stijl, waarin het je zeer natuurlijk voorkomt dat mensen soms duistere dingen met poppen doen.

Palladina heeft dankzij een niet nader gespecificeerde boycot enige tijd in grote bloei gestaan, maar inmiddels maakt een algenplaag baai en haven onbevaarbaar. De jongeren trekken weg om in Noord-Amerika of elders geld te verdienen, de achterblijvers schikken zich in het onvermijdelijke, levend op het onregelmatige ritme van de begrafenissen. De kleermaker heeft geen klanten meer: zelfs de doden krijgen geen nieuw kostuum meer aan in hun kist. ‘De Calle Beale was een boomloze onverharde weg met een vaartje in het midden, waarop allerhande vuilnis dreef. Voor ik het huis vond, telde ik twee wasmachines, een kinderwagen en tientallen kleurige blikjes die als strooigoed tussen de algen lagen.’

Aan het woord is een Nederlandse schrijver, die niet veel eerder zijn moeder heeft verloren op een wijze die ruimte laat voor schuldgevoel: ‘Mijn moeder was een week dood toen ze door de handen van vreemden uit het koude water van haar badkuip werd gehesen.’ Hij huurt een tuinhuisje in het leeggestroomde Palladina – een man zonder moeder in een stad vol moeders zonder zonen – en laat zich verleiden door een oudere vrouw. Hij blijft een half jaar en tekent intussen de verhalen op van de bewoners, van wie slechts een enkeling onder de zestig is. Voor het opportunisme dat Palladina zo lang karakteriseerde, hebben de meesten geen puf meer.

Het levert een bij vlagen schitterend geschreven boek op, dat zich ergens beweegt in het schemergebied tussen roman, reisverhaal en verhalenbundel. Sommige hoofdstukken lijken volledig op zichzelf te staan, zoals ‘Mijn vriend Leo’, over de zestienjarige Eva, ‘het simpele meisje’ volgens haar plaatsgenoten. Zij heeft zich laten verleiden door haar veel oudere baas – een episode die even Bijbels eindigt als de naam van het meisje.

Een heel dwingend geheel is Het laatste kind niet, maar Van der Loo, die vorig jaar debuteerde met de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit, schildert overtuigende portretten. Hij heeft een goed oog voor wat er allemaal roestig en ranzig is in een mensenbestaan. Het meest tragische is dat van Gustavo, een in jaren niet eens zo heel erg oude homoseksueel die zich dadelijk over de Nederlandse schrijver ontfermt – een fles rum in de hand. ‘Stavo’ is ooit als jongeling zijn oudere broer naar Palladina gevolgd, in de jaren waarin de stad werd overspoeld door bootladingen feestende matrozen. Gustavo genoot ven de reuring en van de enkele zeeman die in zijn bed belandde. Zijn broer – verwikkeld in louche zaakjes – stond intussen garant voor materiële welvaart.

Die tijden zijn inmiddels lang vervlogen. De achtergeblevenen hebben hun opportunisme ingeruild voor fatalisme. De wereld kijkt niet meer naar ze om. Schepen ploegen zich geen weg meer door de stinkende algenmassa in de haven: er schuimen geen matrozen meer door de straten, er zijn geen gasten meer over met wie een man louche zaken zou kunnen ondernemen. Gustavo’s broer is omgekomen bij een cafébrand. De stille homo moet zijn verdriet verbijten met het drijven van een viskraam. Elke avond probeert de voormalige mooie jongen vergeefs de geur van de dieren van zijn handen te spoelen. Even vergeefs tracht hij met rum allerlei andere zaken uit zijn gedachten weg te spoelen.

Toch is Het laatste kind niet alleen een boek waarin zaken uit elkaar vallen. Al bij zijn eerste tocht door het stadje constateert de schrijver dat er tussen de dichtgetimmerde huizen hier en daar toch nog licht brandt en in de loop van het boek duiken er steeds meer mensen op die blijk geven van een soort geloof in de toekomst. Er keert zelfs een jonge man terug uit de Verenigde Staten om een gezin te stichten. En waar de andere bewoners denken dat hij met zijn daar verkregen rijkdom (de lezer weet dat hij als illegaal in de bouw werkte) wel een dikke nek gekregen zal hebben, staat hij voorop de boot van een vriend met een groot mes de algen weg te hakken om zo een vaargeul vrij te maken. Eigenlijk is dat onbegonnen werk, maar als Van der Loo één ding duidelijk maakt in deze liefdevolle Zuid-Amerikaanse geschiedenis, is het dat er zelfs in het grootste verval nog leven te bespeuren is. Om dat te accentueren heeft hij zijn allerlaatste hoofdstuk een opmerkelijke titel gegeven: Proloog.