Een echte Kenau zwemt, knokt en slaat er bovenop

De deskundigen zijn het er niet over eens. Was Kenau Simons Hasselaer nu de vrouw met haar op de tanden die in 1573 een woest vrouwenleger op de been wist te brengen tijdens het Beleg van Haarlem? Of was ze eigenlijk niet veel meer dan een snibbige, gehaaide handelaarster, die haar eigen kost moest zien te verdienen na de vroege dood van haar man?

P.C. Hooft noemt haar in zijn Nederlandsche Historiën (1642) ‘een moedighe mannin’, die dapper streed voor haar geboortestad. Latere historici betwijfelen of ze wel ooit met gloeiende pek, kokende olie en brandend stro de Spanjaarden te lijf is gegaan.

In Tessa de Loos roman Kenau hebben we onze nationale heldin weer helemaal terug. Met winst zelfs, want Kenau, zo lezen we, was niet alleen handig met pek, olie en stro, maar ze kon ook schaatsen, zwemmen en polsstokspringen ‘als de beste’.

Het historische genre gaat De Loo goed af. We worden geanimeerd bijgepraat over het terreurbewind van Don Frederik, de godsdiensttwisten, de verdedigingswerken, de grillige Watergeuzen, de Opstand, de scheepvaart, de internationale houthandel en de zestiende-eeuwse keuken.

Maar De Loo legt ook haar eigen accenten. Kenau krijgt hier twee dochters, Cathelijne en Geertruide. Bij Theun de Vries, in zíjn roman Kenau (1946) had ze alleen zoon Nicolaas, die omkwam bij een vuurgevecht met de Spanjaarden. Net als De Vries gebruikt ook De Loo de rouw als psychologische aanjager. Nu haar een kind is afgenomen, wil Kenau, die eerst helemaal niet zo fanatiek was, nog maar één ding: ‘de Spanjolen’ in de pan hakken.

Waarop baseerde De Loo zich eigenlijk? Dat blijkt, opmerkelijk genoeg, niet in de eerste plaats een historische bron te zijn, maar een hedendaags filmscenario. Een boek naar een film dus, waarop zij dan wel weer vrij varieerde. De film, ook Kenau getiteld, komt begin volgend jaar uit. Volgens de filmproducent is gestreefd naar ‘een balans tussen geloofwaardigheid en entertainment.’

Ik denk dat dat ook geldt voor De Loo. Aan de ene kant zijn er de historische feiten: de jaartallen, de namen, de gebouwen, de locaties en het Beleg zelf dat van dag tot dag wordt gevolgd – en waarvan de treurige afloop al bij voorbaat vaststaat. Na zeven maanden van koppig verzet geven de uitgehongerde en verzwakte Haarlemmers zich gewonnen, met alle executies van dien. Aan de andere kant zijn er de vele aanvullende bijzonderheden die aan de feiten kleur en daarmee, inderdaad, de nodige amusementswaarde verlenen. De Loo voegde drie liefdesgeschiedenissen toe, de komst van een half bevroren neef uit Naarden, een brandstapel op de Dam, de ontsnapping van Kenau uit het hol van de leeuw en een spannende koerierstocht-met-polsstok vanuit het belegerde Haarlem naar Vijfhuizen en weer terug. Je hebt helemaal geen film nodig om de beelden voor je te zien.

De Loo doet er alles aan om de zestiende-eeuwse episode voor lezers van nu bevattelijk te maken. Kenau mag dan een onverschrokken ijzervreetster zijn, ze is toch in de eerste plaats vrouw en moeder. Als iemand van het stadsbestuur haar prijst om haar moed en doorzettingsvermogen, merkt ze nuchter op: ‘Een kind baren is gevaarlijker.’ Ze heeft bovendien geen keus, meent ze zelf. Ze heeft geen trek om lijdzaam ‘achter de kookpot’ af te wachten tot ze, met vele andere Haarlemse vrouwen en kinderen, door de vijand zal worden afgeslacht.

Ook valt De Loo de lezer niet lastig met een historiserende stijl of met woorden die ze misschien niet kennen. Wigbold Ripperda, de grote man in Haarlem, wordt ‘een lekker ding’ genoemd. En als Prins Willem in januari 1573 vergeefs een leger naar Haarlem stuurt om een doorbraak te forceren, dan is het ‘een flinke afknapper’.

Wat mij bevalt aan Kenau is de levendige manier van vertellen, alsof het allemaal gisteren gebeurde, en alsof de afloop niet allang bekend is. Bij alle zwarigheden die horen bij de belegering van een stad, bij alle koppen die rollen, bij alle honger die wordt geleden, bij alle verdriet om gestorven naasten, weet De Loo er tot het eind een montere, frisse toon in te houden.

Als de stedelingen steeds meer in de greep van de honger komen, dan heet het droogjes dat geen vogel zijn leven nog zeker was, ‘tot aan de ooievaar toe.’ En als de gouverneur van de stad een kijkje neemt over de borstwering van de Kruispoort, waar Kenau en haar vrouwen net hebben huisgehouden, met pek, olie, brokken puin en brandende hoepels, dan is er maar één conclusie mogelijk: ‘Sodeju. Wat een slagveld!’

Janet Luis