De zwabber verkommert

Ze slaat een zakelijke toon aan, is ironisch, soms wrang of geestig. Zie hier een nieuwe ‘klassieke Herzberg-bundel’, over zeehonden, stofzuigers, de dood en taboes.

Tekening Paul van der Steen

In Liever brieven, de nieuwe bundel van Judith Herzberg, staat een gedicht dat ‘De robotzeehond’ heet. Hij wordt meteen sprekend ingevoerd: ‘Ik ben de robotzeehond met de zachte / hertenogen.’ Hij is ontworpen om in verzorgingstehuizen van kamer tot kamer te gaan en daar troost te bieden. Hij maakt geluidjes. Het is een groot succes. ‘Ze aaien me.’ Hij is niet te behaard, en hij is doelbewust niet van een reukorgaan voorzien – en daar lijkt hij zelf ook wel blij mee te zijn. Hij is zo geprogrammeerd dat hij rimpels kan gladstrijken en dat hij kan lijken ‘op echte, herinnerde liefde’ of op zo’n liefde ‘waar ze vergeefs op hoopten / maar die ze nooit beleefden.’

Het is dus ook meteen een erg cynisch gedicht. ‘Vierduizend euro ben ik waard’, zegt de robot. Hij weet ook dat dat niet veel geld is, ‘want personeel is ook / heel duur en heeft vaak kuren’. Bovendien: ‘Kinderen en kleinkinderen / hebben het druk.’

Het staat er allemaal nuchter en zakelijk, alsof er een zorgmanager of beleidsbepaler aan het woord is. Het lijkt ook bijna alsof het ding daadwerkelijk al ergens in bedrijf is. De zakelijke toon blijft tot en met het eind gehandhaafd. Vraagt u zich af wat er gebeurt als de accu van de zeehond leeg is? Dan laadt hij zichzelf ‘weer op / bij een voor mij ontworpen stop- / contact.’

Ik denk dat die afbreking van dat laatste woord niet toevallig is. Zo wordt ‘op’ mooi van een rijmwoord (‘stop’) voorzien. En zo wordt mooi duidelijk gemaakt, in de allerlaatste regel, waar dit gedicht eigenlijk over gaat: over contact en over het gebrek daaraan, over het daadwerkelijk stoppen met contact voor veel mensen, vooral in verzorgingstehuizen. Het is een helder, zelfs wel geestig, maar ook akelig wrang gedicht. Ik denk dat het zijn weg wel zal vinden – in poëziebloemlezingen, maar ook als illustratie bij bezorgde rapporten over de toestand in de zorg.

Het is voor mijn gevoel nu al een klassiek Herzberg-gedicht. Even klassiek als bijvoorbeeld dat vroege gedicht ‘Beroepskeuze’, waarin een meisje, op de vraag wat zij later wil worden, unverfroren antwoordt: ‘Graag invalide’ – en dat ook al helemaal voor zich ziet: ‘benen onbewegelijk in bruin-geruite plaid / door toegewijde man en bleke zonen / voortgeduwd, [...] in winkels / voor haar beurt gaan, bij optochten / vooraan staan.[...] En beide zonen zouden altijd / bij haar blijven, hun leven / aan haar wijden en nooit / zou haar iets overkomen.’ Het is op een bepaalde manier de tegenhanger van het robotzeehondgedicht: ook ironisch, ook wrang, ook spelend met een maatschappelijk taboe.

Zo staat er in Liever brieven ook een gedicht waarin de liefde wordt verklaard aan de gratie, en de stilte, van de straatbezem: ‘het gestadige / sierlijke zwiepen van gewillige / bezems’ – dat steeds meer plaats moet maken voor de herrie van de bladblazer. Op dezelfde manier heeft, in de strijd met de lawaaiige stofzuiger, de zwabber het moeten afleggen. ‘En jammer / zo jammer in de werkkast / verkommert de aardige, zachte, / de grijze geruisloze zwabber.’

Zo zijn er, bij het lezen van Liever brieven, meer momenten van herkenning. Ook hier vinden we, zoals in veel van haar bundels, weer een gedicht over een krantenbericht. En een jeugdherinnering. Een korte natuurnotitie. Een dialoog-gedicht. Een gedicht over een schilder, een overpeinzing over lezen en gelezen worden, en een speelse inval over een raar woord.

Liever brieven is dus weer een ouderwetse Herzberg-bundel. Is dat erg? Dat lijkt me niet. Is het allemaal wel poëzie? Dat is, zoals altijd bij haar, de vraag. Het lijkt er eerder op alsof je door een dagboek gaat, of een map met invallen, een verzameling gelegenheidsgedichten zonder veel samenhang, sommige nog niet of nauwelijks uitgewerkt. Er zitten losse notities bij, maar ook volledig uitgewerkte gedichten, strak in de vorm – maar het gekke bij Herzberg is dat die laatste categorie niet per se beter is. En tussen die beide uiteinden van het spectrum zitten veel probeersels – gek gedoe met woorden, of accenten, of vormspelletjes, altijd wel grappig: een gedicht met verhakselde boomnamen (‘aarzelaarshakhout’), een spel met de Duitse tekst op de fles Hautöl, en een lang, 49 regels tellend opsommingsgedicht over dingen die ‘te willen hebben’ zijn – of ‘te willen hebben gehad’.

Ik weet niet goed wat ik van de dichteres Herzberg moet vinden. Is zij niet eigenlijk een columnist? Een voorgangster? Een vrijdenker? Sommige van haar gedichten vind ik flauw, of kinderachtig. Sommige snap ik niet eens. Maar door sommige word ik blijvend geraakt. Zoals door ‘Toegift’, een begrafenisgedicht waarin op een droge, vertellende toon wordt gepraat over iemand die verdronken is, of zichzelf door verdrinking om het leven heeft gebracht. ‘Natuurlijk haal je liever iemand uit het water / die nog te redden is. Maar stel dat hij nog leefde / wat hadden we dan voor hem kunnen doen. Hem vragen / waar zijn wanhoop op berustte, hem zijn geliefde / weer terugbezorgen, of zijn werk, of zelfvertrouwen?’ Zo is het natuurlijk. Nu kunnen we alleen nog maar wat respect tonen, ‘uit een vaag gevoel van menselijk fatsoen.’

Het gedicht loopt uit op de trieste constatering dat de dode nu, bij zijn begrafenis, alsnog dat beetje aandacht en liefde krijgt dat hem nu juist had kunnen redden als hij het tijdig had gekregen. Het leek mij een in alle opzichten waar gedicht. Zie de vergeefsheid van alles – en het eeuwige te laat. ‘Gemist’ rijmt hier op ‘kist’. Later zag ik pas dat het geschreven werd bij de eenzame uitvaart van een anonieme, in het Amsterdam-Rijnkanaal gevonden man. In zijn verslag van de uitvaart schreef Frank Starik dat Judith Herzberg zelf niet onder de indruk was van haar gedicht. ‘Het ligt zo voor de hand, wat ik geschreven heb. Ik ben bang dat iedereen hetzelfde gedicht zou hebben geschreven.’ Frank Starik was het niet met haar eens. Ik ook niet.