De wellust van plaatjes maken

Hugo Claus schreef mateloos veel, maar daarnaast maakte hij als Cobra-man van het eerste uur ook levenslang veel ‘stoeierijen’, oftewel ‘verftekeningen’.

Boven: inkt op papier, 27 bij 21 cm. Rechts: Gouache op papier, 39 bij 23,5 cm en links: inkt, potlood en markeerstift op papier, 30 bij 21 cm. Alle zonder titel of datum.Foto’s uit besproken boek

Geen sprake van, zei Hugo Claus, op de vraag of ik na een interview over zijn beeldende kunstwerken even zijn atelier mocht zien. Hij werd boos, op zo’n plek laat je geen pottenkijkers toe: „Beschrijft u het maar als iets tussen het atelier van Francis Bacon en een kippenhok.”

Natuurlijk mocht oud-museumdirecteur Rudi Fuchs wel naar binnen. Claus had gelijk, het was er een bende, aldus Fuchs in het net verschenen Omdat ik geen beeld ben. Hugo Claus Schilder. ‘Verftekeningen’ lagen op stapels gekwakt, zaten lukraak in dozen, en omdat het er vochtig was, kleefden er nogal wat vellen aan elkaar. Nergens stond een titel of datum op.

Claus (1929-2008) vernietigde veel van zijn ‘stoeierijen’. En hij keek neer op beeldende kunst: „Je kunt een debiel zijn [...], en toch goed schilderen. Maar dat kun je je als schrijver niet veroorloven.” Toch was hij graag en vaak op zijn atelier, „want schilderen geeft meer voldoening met minder middelen”.

Lange tijd was hij bevriend met schilders als Dotremont, Alechinsky en Raveel. Het succes van zijn Cobra-kameraden Appel en Corneille frustreerde hem: „Als ik slim was geweest was ik schilder gebleven. Ik was toen namelijk volwaardig lid van de Cobragroep. [..] Achteraf is gebleken dat zij meer hebben verdiend met schilderen dat ik met schrijven.” Deed schilderen er nou wél of niet toe?

Die ambivalentie is lastig te duiden. Dat blijkt ook uit de grondige biografische schets met veel citaten die journalist en kunstenaar Jef Lambrecht leverde voor hetzelfde boek als waarin Fuchs het werk van Claus onder de scan legt, en waarin Remco Campert een gedicht schreef. Het is net uitgebracht naar aanleiding van een tentoonstelling in Ostende (tot 5/1/2014 in Mu.Zee).

Claus tekende van jongs af aan, illustreerde uitgaven van zijn vader, een drukker, werkte als gevelschilder en seizoensarbeider, trok naar Parijs toen Cobra op de barricaden kwam, nam deel aan tentoonstellingen van die club en bracht ruim honderd bibliofiele en semi-bibliofiele publicaties op zijn naam, dichtbundels met vaak beeldend werk van anderen. Zijn romans en tijdschriftbemoeienissen laten we verder maar buiten beschouwing.

Aanvankelijk exposeerde Claus vaak, later minder, want „een tekening is een voorwerp, een kindje, het is vlakbij me. Ik laat mijn mongooltjes niet drie keer per jaar op stap gaan”, zei hij destijds. Een beetje zeurderig is dat, want hij exposeerde wél degelijk, maar met langere tussenpauzen. Critici zetten hem na bezichtiging van die exposities vaak weg als ‘een mineurtje’. En daar kon ‘de hobbyist’, zoals hij zichzelf noemde, niet meer zo goed tegen – dat was zijn tweede excuus om minder te exposeren.

Uit wat overbleef van dit ‘wispelturig en rommelig oeuvre’, aldus Fuchs, is een selectie gemaakt. De ruim 160 reproducties in het boek illustreren feilloos Claus’ uitspraak „Ik kies niet voor het kameleontische, ik ben zo! [...] Het kiezen voor een stijl of een formaat zou me dodelijk vervelen.” Niet voor niets bewonderde hij een stilistische omnivoor als Picabia en een durfal als Marcel Duchamp, maar ook een precieze realist als Ingres.

Inderdaad, Claus is in het boek niet op een ‘Claus’ te betrappen. Hij tekent en schildert koortsachtig in inkt, krijt, gouache en aquarel – alsof hij op de hielen wordt gezeten. Snel, veel, slordig, onaf, raak en niet raak. Hier herken je Dotremont, daar komt Bacon voorbij. Een vrijend stel doet denken aan Redon, verderop passeert een soort Raveel. Het ene blad is anekdotisch, het andere kalligrafisch of een poging tot abstractie, tot een fusie van woord en beeld. Met inkt kan hij stoer uithalen, met verf subtiel zijn, of juist niet, en dan poetst hij de boel dicht.

Marketingtechnisch gezien is Claus’ werk – ‘zijn stijl is géén stijl’, aldus Lambrecht – een probleem. Anderzijds had hij het lef een genre of thema niet uit te melken. Hij maakte ‘verrassingen’: „Het is fysiek bijna een wellust om met plaatjes bezig te zijn. Er ontstaat iets wat je daarna ook nog kunt laten zien aan mensen die niet kunnen lezen.”

Als hij het zo relativeerde en enigszins ridiculiseerde, en zich op exposities geneerde voor zijn werk, waarom was hij er dan meer dan vijftig jaar mee bezig en waarom liet hij een tegel van een salontafelboek verschijnen ? Waarom pakte hij vaak niet door na een eerste aanzet op papier? Was het onvermogen of een demonstratie van zijn motto ‘niet plooien’, vooral niet doen wat van je verwacht wordt? Aan vragen als deze had hij een hekel: „Allerlei lieden trekken tot mijn ergernis conclusies uit mijn werk die me niet bevallen”, zei hij tijdens dat boos eindigende interview in Antwerpen in 1994. Ja, ik ben ook een van die lieden voor wie Hugo Claus als beeldend kunstenaar even ambitieus als ambivalent is, even ongrijpbaar als onbegrijpelijk. Hij zal in deze discipline voorgoed een raadsel blijven.