Daar gingen de iepen – als luciferhoutjes

De storm die maandag over Amsterdam trok velde maar liefst 400 bomen. Bomen zijn in de stad veel kwetsbaarder dan in de natuur.

Alleen al in de grachtengordel staan meer dan 75.000 iepen. Tijdens de storm van afgelopen maandag waaiden er vele om. foto ANP

Over de Leidsegracht heen zijn twee iepen elkaar in de armen gevallen. Hun kronen liggen in het water, de kluiten steken in de lucht. Haarfijne wortels, reuzensplinters en af en toe een afgescheurd stuk kabel daartussen. Voorbijgangers trekken hun fototoestel.

De storm die maandag over Nederland trok, heeft Amsterdam hard getroffen. Er viel een dode, op de Herengracht, er viel een zwaargewonde, op de Ceintuurbaan. Allebei kwamen ze onder een omgewaaide boom terecht. En daarmee is de grootste groep slachtoffers genoemd: de bomen.

Volgens een woordvoerder van wethouder Ossel (Groen) zijn er zo’n 400 bomen in de stad omgewaaid – van de bijna 380.000 die er staan. Amsterdam is een van de groenste hoofdsteden ter wereld. In 2012 geleden werd de stad nog uitgeroepen tot Europese Boomstad van het Jaar: „Omdat Amsterdam sinds de zestiende eeuw systematisch, in bijna elke straat, bomen heeft geplant”. Er zijn zoveel bomen in de stad, dat je ze onbewust overal verwacht. Daarom raakt een Amsterdammer altijd gedesoriënteerd in de Govert Flinck. Wat is hier aan de hand? Wat mis ik toch? Hee, er staan helemaal geen bomen!

Gezien de grote populatie is 400 bomen niet eens zo gek veel. Maar toch was het wonderlijk, al die hulpeloze kluiten in de lucht. Een leek zou verwachten dat bomen in de stad meer beschut zijn dan die langs een provinciale weg in Overijssel. Boomspecialist Remco Valk van de branchevereniging VHG helpt dat misverstand direct uit de wereld. Bomen in de stad zijn juist veel kwetsbaarder dan in de vrije natuur, zegt hij. In de natuur groeit de boom naar een evenwicht tussen kroon en wortels. Die verankert zich rondom in de bodem.

In de stad botsen de wortels al gauw tegen een kademuur of een diepe stoeprand. In de stadsbodem, zegt Valk, „hebben boomwortels veel concurrentie. Overal liggen kabels, leidingen of rioolbuizen. Die verstoren het evenwicht.” En zwak verankerde bomen, die waaien eerder om.

Valk prijst Amsterdam als een goede boombeheerder, die zeer frequent onderhoudt en inspecteert. Hoewel hij bij die inspectie aantekent dat je van buiten niet altijd kunt zien hoe een boom eraan toe is. Hij vertelt dat jaren geleden, bij niet al te harde wind, een linde in Amersfoort ineens over het spoor viel. Toen ze hem onderzochten, bleek de stam vrijwel hol te zijn. Van binnen weggerot. „De oorzaak was te herleiden tot een wegverbreding die vijftien jaar daarvoor niet erg subtiel te werk was gegaan en veel wortels had doorgesneden.” Er stonden nog vier of vijf andere holle linden langs het spoor. Valk adviseert dan ook: zorg dat bedrijven voorzichtig te werk gaan bij ondergrondse werkzaamheden. Dat ze de wortels respecteren. Kun je het tracé verleggen? Kun je boren in plaats van graven? Kun je de boom snoeien? „En in het allerergste geval moet je kappen.”

Boomverzorgersbedrijf Pius Floris draait deze week overuren in Amsterdam. Stefan Hartman, de kettingzaag in de hand, telt af: maandag van 8 uur ’s ochtends tot één uur ’s nachts, dinsdag van zeven tot tien, woensdag en donderdag: „Gewoon acht uren.” Hij haalt in Buitenveldert een wilg om, die weliswaar was blijven staan, maar zodanig gehavend was dat de meeste takken aan één kant hingen en het evenwicht helemaal zoek was. En de wilg – „ een windvanger”, zucht een voorbijganger – is een boom met zwak hout, gevoelig voor rot. Dus: gevaarlijk. „En hij moest hier toch weg”, zegt Hartman. „Dan duurt een kapvergunning veel langer dan dit.”

De wind steekt op. Nog één keer ruisen de wilgenblaadjes, dan duwt een collega van Hartman de stam met een grote grijper om. Ter geruststelling: de stad hoeft het voortaan niet met 400 bomen minder te doen. De gemeente heeft een herplantingsplicht. Je bent tenslotte niet zomaar Europese Boomstad van het Jaar.