Code Rood

Toen ik ooit uit ging in een discotheek in Epe zag ik jongens vechten, zo erg dat er politie en een ambulance bij moesten komen. Ik was doodsbang. De plaatselijke bevolking keek me spottend aan. „Sorry”, zei ik, „ik kom uit Amsterdam, ik ben dit soort dingen niet gewend.”

De enige keer dat ik beroofd ben was in Napels en een maand geleden zag ik de eerste potloodventer uit m’n leven, in Londen. Echt gevaar ken ik niet, al helemaal niet in Amsterdam. Ik had het erover met de jongen die ik op dit moment zo mis, omdat hij op reis is. Toen hij over de snelweg in Rio reed hoorde hij iets knallen. Vuurwerk, was z’n eerste gedachte, want zo denken wij. Maar het waren geweerschoten en even later klonken ze weer. Vlakbij. „Pas achteraf ben je dan écht bang, realiseer je je dat je werkelijk gevaar liep”, vertelde hij. „Niet bang worden nu, anders kom je straks nergens meer. Dit is avontuur”, sprak ik hem vanaf de andere kant van de wereld bemoedigend toe. Wat ik eigenlijk wilde zeggen was: kom alsjeblieft naar huis.

Opgroeien in Amsterdam maakt je zogenaamd streetwise, maar in werkelijkheid ook zo naïef. Wij zijn de provincialen van de wereld. Jaren geleden backpackte ik door Zuid-Afrika. Ik had gelezen dat je in de buurt van Oudshoorn mooie fietstochten kon maken. Fietsen miste ik. Dolgelukkig sprong ik op het zadel. Na tien minuten reed ik bijna een ravijn in. Echt bijna. „Waarom remde je pas zo laat?”, vroeg een reisgenoot. „Ik had er geen rekening mee gehouden dat er een ravijn zou zijn”, antwoordde ik naar waarheid. Ik hoorde zelf hoe dom het klonk.

Wij kennen hier geen misdaad zoals in de favelas, geen ravijnen, geen wilde roofdieren, geen allesverwoestende aardbevingen, geen uitbarstende vulkanen. In het reservaat Amsterdam-Zuid, waar ik ben opgegroeid, is het engste wat je kan overkomen dat je door een bakfiets wordt geschept.

Misschien kwam het hierdoor dat ik afgelopen maandagochtend alle weeralarmen – code rood – negeerde en met mijn zoontje voorop naar Bos en Lommer fietste voor een kindervoorstelling in het Mozaïektheater. Wij Amsterdammers zijn sowieso eigenwijze fietsers; we negeren stallingsverboden, wegomleidingen en weeralarmen. Gelukkig had ik nog wel de tegenwoordigheid van geest om niet door het Vondelpark te gaan. De peuter voorop zat ineengedoken in z’n fietsstoeltje. „Ik heb het koud”, zei hij. „Kijk, brandweerauto”, probeerde ik hem af te leiden. „Kijk, boom gevallen”, zei hij. Toen hield ik m’n mond maar. Gelukkig is Bos en Lommer altijd dichterbij dan je denkt.

Aan het eind van de voorstelling bleken alle opa’s en oma’s van mijn zoontje (hij heeft er momenteel acht) me te hebben gesms’t met de vraag / het bevel of ik alsjeblieft niet op straat was met hem. „Blijf binnen, er is al één dode”, schreef mijn moeder dramatisch. Ik zocht op mijn telefoon op waar die dode was gevallen. Ik gokte op Harlingen. Het was de Herengracht. Toen bestelde ik toch maar een cappuccino, een appelsap en twee tosti’s. Mijn zoontje keek geïnteresseerd naar buiten, waar de wind een vuilnisbak tegen een rijdende bus aan smeet.

De jongen die ik zo mis sms’te dat hij een trektocht te paard ging maken in Patagonië. Ik vroeg me af of ik hem moest waarschuwen voor ravijnen.