Autocratie nekt de jonge partij

Zonder oliemannetjes en pacificerende procédés imploderen jonge partijen, aldus Gerrit Voerman.

Na de affaire rondom 50Plus-fractievoorzitter Henk Krol is het nu crisis bij de PVV. Louis Bontes, het Tweede Kamerlid dat in het bestuur van de fractie zat, werd deze week uit de partij gezet. Het is zo langzamerhand een wetmatigheid geworden dat nieuwe partijen in hun voortbestaan worden bedreigd door dit soort crises. Zie ook de Boerenpartij en de Nederlandse Middenstandspartij rond 1970, de ouderenpartijen in de jaren negentig, en na de eeuwwisseling Leefbaar Nederland, de LPF en Trots op Nederland. Waarom gaat het bij nieuwkomers zo vaak mis?

Program, partijleider en achterban zijn keer op keer bron van conflict. Programmatisch richten nieuwe partijen zich vaak op een enkel issue dat alle andere thema’s overvleugelt. Dat dominerende issue is weliswaar het samenbindende element, maar verschaft uiteindelijk maar een smalle basis. Standpunten over andere beleidsterreinen leiden dan tot grote meningsverschillen, mede omdat deze nieuwe partijen vaak aanhangers uit zowel rechtse als linkse hoek trekken.

Instabiliteit komt niet alleen voort uit programmatische eenzijdigheid, ook het type leider is bepalend: bij nieuwe partijen zie je vaak autocraten aan het roer. De meeste nieuwkomers in de afgelopen decennia zijn opgebouwd rondom één persoon, die de partij domineert – eventueel met een kleine groep vertrouwelingen. Intern beschikt hij over een sterke machtspositie, omdat hij of zij degene is geweest die de partij heeft opgericht en tot electorale bloei bracht. Boer Koekoek, Pim Fortuyn, Rita Verdonk en Geert Wilders zijn of waren dermate gezichtsbepalend dat het vrijwel onmogelijk is de partij zonder hen voor te stellen. Uitzondering op de regel is 50Plus, waarin Jan Nagel een overheersende achtergrondrol vervult. Zelfbenoemde, solistische partijleiders hebben gemeen dat zij grote moeite hebben met interne democratie, gevoelig zijn voor afwijkende ideeën en geen raad weten met zelfstandig opererende partijgenoten. In de regel vereenzelvigen zij zich zozeer met hun partij dat organisatorische of beleidsmatige kritiek al snel persoonlijk wordt opgevat: zij zijn immers de partij.

Ten slotte trekken nieuwe partijen naast welwillende, idealistische leden ook gelukszoekers met geldingsdrang aan, die – aangemoedigd door gouden opiniepeilingen – mogelijkheden zien voor een vlotte politieke loopbaan. Na schisma’s in de partijen van boeren, middenstanders en ouderen heeft de implosie van de LPF opnieuw laten zien wat voor gevaar er schuilt in een partijorganisatie met vele ego’s die hun eigenbelang voorop stellen. De vrees voor ‘LPF-achtige toestanden’ was voor Wilders reden zijn partij niet open te stelen voor leden. Angst voor querulanten, en daarmee controleverlies, bracht hem ertoe om vrijwel overal af te zien van deelname aan de gemeenteraadsverkiezingen. Ook Nagel wilde niet dat 50Plus aan de raadsverkiezingen meedeed uit vrees voor ‘gedoe met baantjesjagers’.

Gebrekkige institutionalisering, de organisatie is immers nog jong, maakt de partij nog kwetsbaarder. Anders dan gevestigde partijen kunnen nieuwelingen nog niet bogen op een partijcultuur met informele mechanismen die verdeeldheid kunnen bezweren. Het ontbreekt hen aan gezaghebbende partijorganen of éminences grises die olie op de golven kunnen gooien. Ook missen jonge partijen veelal interne checks and balances en procedurele veiligheidskleppen, zoals het op ordentelijke wijze vervangen van de partijleider zonder dat daarbij de partijorganisatie in het ongerede raakt.

Gevestigde partijen zijn overigens niet veilig. Pacificerende procédés blijken daar de laatste tijd aan effect in te boeten. Zo wisten ervaren oud-partijleiders in 2007 in de VVD een breuk tussen partijleider Rutte en Verdonk niet te voorkomen en werden gewezen premiers en ministers weggehoond toen het CDA regeringssamenwerking met de PVV overwoog: ze werden voor ‘dinosauriërs’ uitgemaakt. Hoewel beide partijen stonden te trillen op hun grondvesten, kwam het toch niet tot een scheuring. Mede doordat gevestigde partijen hun leden serieus nemen (ledencongressen, directe verkiezing van de lijstrekker) en hen weten te binden aan een breed gedragen programmatisch en ideologisch project, ingebed in een historisch bepaalde identiteit.

Dat kennen nieuwe partijen niet. Hun kenmerken zijn doorgaans programmatische eenzijdigheid, autocratisch partijleiderschap en een nogal egomane achterban. Karakteristieken die een een explosief mengsel vormen, waartegen weinig debutanten bestand blijken.