Vleesvervangers

Nu ook Amsterdam, na Den Haag, een filiaal heeft van De Vegetarische Slager, en nog wel in mijn buurt, kon ik mijn nieuwsgierigheid niet langer onderdrukken. Ik verwerp beslist niet alle vegetarische gerechten, maar de meeste vind ik nog niet lekker genoeg. Zou De Vegetarische Slager mij naar nieuwe culinaire horizonten leiden? Of waren mijn smaakpapillen al te erg verpest door levenslange vleesconsumptie?

De Vegetarische Slager had een nieuw concept bedacht, waarover ik in allerlei bladen interessante artikelen had gelezen. Het idee is van Jaap Korteweg, biologisch akkerbouwer die met senator Niko Koffeman en chef-kok Paul Bom werkt aan (ik citeer hun website) „een vegetarische revolutie die de wereldvoedselvoorziening een ander aanzien zal geven”. Hun plantaardige vleesvervangers zijn gebaseerd op de sojaboon en de lupineplant en „moeten spectaculair zijn van structuur, bite en smaak”. Ze werken aan „een geheel nieuwe generatie vlees- en visvervangers die [...] niet van echt te onderscheiden zijn”.

Het zal niet verbazen dat het water me al bijna in de mond gelopen was toen ik me bij De Vegetarische Slager meldde. Ik werd welkom geheten door een vriendelijke, zwartharige jonge vrouw die met een sappige Brabantse tongval de artikelen toelichtte. Ze stond achter de toonbank in een grote, lichte winkel met een hoog plafond. Alles zag er smetteloos uit – een slagerij zonder bloed.

Ik koos voor de gehaktbal en een stukje kip, waarover ik gunstige recensies had gelezen. De nepkip zou niet van de echte kip te onderscheiden zijn, sterker nog: ze zou zelfs ‘kippiger’ zijn.

Mijn vrouw had zich tevoren bereid verklaard het culinaire experiment thuis in de keuken uit te voeren. Ik had het ook wel zelf willen doen, maar dan had de gehaktbal vermoedelijk naar kip gesmaakt en de kip naar gehaktbal; dat was niet sportief geweest tegenover De Vegetarische Slager.

Al snel hoorde ik uit de keuken enig gemopper: de kipstukjes spatten bij het braden alle kanten op. Ik miste de vervoerende braadlucht van dierlijk vlees, maar klaagde nog nergens over; je kon moeilijk verwachten dat De Vegetarische Slager ook een geurvervanger had bedacht die op het origineel leek.

Toen de plantaardige gehaktbal en kip werden geserveerd, voelde ik bij mezelf een lichte, nerveuze spanning. Stond ik hier inderdaad aan de wieg van een vegetarische revolutie? Werd het een triomf voor de soja en de lupine? Zou ik hierna nooit meer een ordinair broodje bal of een vette kippenbout eten?

Ik moet de lezer, en misschien ook De Vegetarische Slager, teleurstellen. De kip vonden wij niet te vreten. Wij hebben het ijverig geprobeerd, maar het eten ontaardde algauw in de verbaasde vraag: waar smaakt dit naar? Het was geen vilt, maar ook geen papier, karton of plastic, laat staan ijzer. Eén ding was het zeker niet: kip. Het was gewoon niets.

Bij de gehaktbal was het resultaat multi-interpretabel. Wij ervoeren de ‘bite’ als vergelijkbaar met die van gewoon gehakt, de smaak viel aanvankelijk ook nog te verdragen, maar we vonden het bij het dooreten wel érg kruidig. Was dat ter camouflage van de smakeloosheid? Mijn vrouw kon er niet goed tegen en hield ermee op, maar ik zette moedig door.

„Zal ik misschien nog even een Unox worst warm maken?” vroeg mijn vrouw op zeker moment.

Vleselijke lusten zijn slecht te bedwingen.