Vergeving van NSB’ers was moeizaam

Een zwaar laatste oorlogsjaar en communistenangst leidden tot harde vervolging van verraders.

Bevrijdingsdag, 5 mei 1945. Voor miljoenen Nederlanders komt er een einde aan de nachtmerrie die vijf jaar heeft geduurd. Voor leden van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) en andere collaborateurs was het een ruw ontwaken.

Over goed en fout tijdens de oorlog is veel gepubliceerd en gediscussieerd. Maar wat er na Tweede Wereldoorlog gebeurde met de Nederlanders die aan de foute kant hadden gestaan, is minder bekend. Het project ‘Erfenissen van Collaboratie’ van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) wil daarin verandering brengen. Vandaag verschijnen er twee boeken die een licht werpen op de omgang met collaborateurs vlak na de oorlog en in de jaren zestig en zeventig. Het relatief groot aantal veroordeelden in Nederland zou een gevolg kunnen zijn van het grote lijden van de bevolking in het laatste oorlogsjaar. En verder blijkt dat daarna de stemming in Nederland vergevingsgezind was, mits de collaborateurs volledige afstand van het nazisme namen.

Helen Grevers promoveerde vorige week op het proefschrift Van landverraders tot goede vaderlanders (Balans, €18,95), over de verschillen tussen België en Nederland, direct na de oorlog. „België was eerder bevrijd dan Nederland, en de regering wilde er meteen haar gezag weer vestigen”, zegt ze. „Men was bang dat anders de communisten het machtsvacuüm zouden opvullen. Daarom werd de zuivering strak uitgevoerd.”

Uiteindelijk werden er in België minder mensen opgepakt en in interneringskampen gestopt dan in Nederland, zo’n 70.000 tegenover 150.000. Het zou kunnen dat in Nederland veel meer mensen werden aangegeven als gevolg van het zware laatste bezettingsjaar waarin veel slachtoffers vielen, zegt Gevers. „Het is niet ondenkbaar dat de haat tegen landverraders en collaborateurs toen sterker was dan in België.”

Volgens de regeringen en brede lagen van de bevolking was het nodig dat alle ‘landverraders’ uit de samenleving verdwenen, concludeert Grevers. „Het was een proces van collectieve zuivering dat soms rituele trekken had.”

Na deze reiniging moesten de collaborateurs, al dan niet berecht en gestraft, weer een plek zien te vinden in de samenleving. Ismee Tames onderzoekt dat in Doorn in het vlees. Foute Nederlanders in de jaren vijftig en zestig (Balans, € 19,95)

Een belangrijke rol daarin was weggelegd voor de kerken, ontdekte ze. „Daar bestond al een uitgestippelde route die leidde van het bekennen van zonden tot vergiffenis. Kerken hadden ervaring met het weer op de been helpen van mensen.”

De Nederlandse maatschappij was redelijk vergevingsgezind ten opzichte van collaborateurs, zegt Tames. „Onder één voorwaarde: je moest het nationaal-socialisme zonder voorbehoud afzweren. Als een NSB’er probeerde uit te leggen waarom hij in de jaren dertig lid was geworden, hoefde hij niet te rekenen op begrip.”

Veel collaborateurs hierdoor moesten meer van hun oude identiteit verloochenen dan ze rechtvaardig vonden. Anderen namen moeiteloos afscheid van het nationaal-socialisme. Tames: „Dat waren vaak mensen van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Die hadden het tijdens de oorlog eens bij de NSB geprobeerd en sappelden na 1945 gewoon weer elders verder.”

Veel NSB’ers hadden de rest van hun leven last van hun oorlogsverleden, zegt Tames. „Iemand die het kwaad met je voorhad, kon de oorlog altijd gebruiken als stok om mee te slaan.”

    • Bart Funnekotter