Taal is eigenlijk (zeg maar) helemaal niet mijn ding

Maar ondertussen heet de nieuwe voorstelling van Paulien Cornelisse Want in taal én in onszelf gebeuren kleine dingen die bepalend zijn Daarvoor legt Cornelisse haar bloed onder de loep

Illustratie Thinkstock

Redacteur cultuur

Paulien Cornelisse heeft bloed in haar koelkast staan. Haar eigen bloed, in buisjes. Acht heeft ze er afgetapt om te gebruiken in haar nieuwe, derde programma Maar ondertussen.

Ze heeft ook nog gist op kweek staan. En ze heeft haar eigen microscoop gekocht. Daarmee laat ze de zaal haar speeksel en bloed uitvergroot op de achterwand zien: sloom rondzwemmende cellen. Het is een knipoog naar het idee dat ze als cabaretier iets van zichzelf moet laten zien. Het publiek krijgt haar zelf, letterlijk.

We leven bewust, maar ondertussen gebeurt er van alles in ons en buiten ons wat aan onze aandacht ontsnapt. Daar wil Cornelisse het over hebben. Wie houdt van de taalcolumnist komt ook aan zijn trekken. Van het sleutelwoord ‘ondertussen’ wordt bloed afgetapt en het DNA vastgesteld. Het is het soort taalanalyse waar Cornelisse, auteur van Taal is zeg maar echt mijn ding en En dan nog iets, tuk op is.

„Piepkleine dingen zijn belangrijker dan over het algemeen wordt aangenomen”, is haar overtuiging. „In het maatschappelijke debat is er geen aandacht voor het feit dat beslissingen worden genomen omdat iemand chagrijnig is.”

Heb je daar een voorbeeld van?

„Nee, maar als ik mezelf laat beïnvloeden door kleine dingen, dan is dat bij andere mensen niet anders. Mensen doen soms alsof ze volstrekt rationeel zijn, terwijl ik zie dat ze niet de waarheid spreken. Dan klopt wat ze zeggen niet met hun stem of houding. Ik denk dat – misschien ten onrechte – vrij goed door te hebben.”

Waarover gaat het programma verder?

„Ik hoorde dat ik onrustige cellen had, een voorloper van baarmoederhalskanker. Het bleek niet ernstig, maar ik was er een tijdje heel angstig van. Tegelijk raakte ik gebiologeerd door die term: onrustige cellen. Aan de dokter vroeg ik of ik dat zo tegen mijn moeder moest zeggen. ‘Nee’, zei zij, ‘want dan denkt ze dat je kanker hebt!’ Het is dus een eufemisme dat toch te eng klinkt. Die cellen ben ik ook. Dat leek me mooi om te laten zien. Zo kwam ik op de microscoop.”

Hoe werkte je dat uit?

„Ik las dat je bij een Amerikaans bedrijf je DNA kon laten uitzoeken. Dat leek me geweldig. Ik ontdekte dat ik voor 3 procent neanderthaler ben, meer dan gemiddeld. Dat is grappig. Het is een schijnmanier om jezelf te leren kennen.”

Wat trekt je aan in die nutteloze kennis?

„Ik geloof niet zo in een constante identiteit. Persoonlijkheid is fluïde. Als je de vijftig mensen die het dichtst bij je staan een vragenlijst laat invullen over wie jij bent, dan is er geen consensus. Dat is onderzocht. Een persoonlijkheid is situatieafhankelijk. DNA-materiaal daarentegen staat vast, maar het zegt niet zo veel.”

Waarom gebruik je je eigen bloed?

„Ik houd ervan dat theater echt is. Eigen bloed maakt het echt. En bijzonder: een cabaretvoorstelling waar voor gebloed is.”

Verder blijf je juist ver van het persoonlijke.

„Persoonlijke ontboezemingen zijn niet zo mijn stijl, al zijn de angst en de obsessie na het ziekenhuisbezoek waarover ik vertel wel echt van mij. Ik vertel in mijn programma’s eerder verhalen die toevallig grappig zijn.”

Zijn je columns potentieel materiaal voor je voorstellingen?

„Helemaal niet. Op het podium wil ik graag iets anders doen. Alleen over de kleur beige heb ik al eens geschreven. Martin Bril zei geloof ik: ‘Spread the product.’ Maar ik ben een calvinist wat dat betreft.”

Je bent voortdurend alert op hoe mensen formuleren. Waarom?

„Het is voor mij de belangrijkste manier om te begrijpen wat er gaande is. Heel vaak snap ik niet waarom iemand iets zegt zoals hij het zegt. Micha Wertheim zei een keer tegen me: ‘Ik snap hoe het zit: taal is helemaal niet je ding.’ Door mijn onbegrip ben ik er zo op gefocust.”

Wat zegt ons taalgebruik over ons?

„Veel. Het is de belangrijkste clou die we hebben over wat iemand denkt. Niet alles, want we lullen vaak om de zaken heen. Maar hóé iemand eromheen lult, zegt iets over die persoon. Sommige mensen proberen zich door hun taalgebruik grandiozer neer te zetten dan ze zijn. Anderen zijn bescheidener. Voor mij zegt taalgebruik meer dan wat iemand aanheeft.”

Je bent een taalpsycholoog.

Cornelisse, dochter van twee psychologen, lacht afwerend. „Dat klinkt te wetenschappelijk. Het is hoe ik in het leven sta.”

Maar je oordeelt niet.

„Ik bespeur bij mezelf wel irritaties, ook over taalgebruik, maar die zeggen ook iets over mij persoonlijk. Mensen die iets over taal zeggen, willen vaak alleen iets over de ander zeggen. Ik kan me niet voorstellen dat je je niet afvraagt waarom je een bepaalde mening hebt. Ik voel me verplicht een paar stappen verder te denken dan ergernis en verwondering.”

Wat is er prettig aan op het podium staan?

„Als het goed gaat en ik me goed voel, ontstaat er een eenheid met de mensen in de zaal. Dan maken we allemaal hetzelfde mee. Dan voel ik verbondenheid. Euforie. Het is ook fijn dat ik mijn particuliere gedachten kan overbrengen en dat mensen mij begrijpen. Maar herkenbaarheid is geen streven. Ik wil iets maken wat mensen verrast.”

Hoe zie je jezelf als performer?

„Bedoel je dat ik bijvoorbeeld vreemd overkom? Ik kan dat niet van mezelf zeggen. Hoe ik doe wordt grappig gevonden, maar ik ben er niet mee bezig. Tijdens mijn optredens sta ik te spelen, maar mijn zorg is dat er iets echts gebeurt. Omdat ik eigenlijk een soort weerzin tegen acteren heb.”

Je wilt authentiek zijn?

„Dat is een kutwoord. Ik wil dat het echt is. Alles, ik, het bloed. Omdat de ervaring met de zaal dan ook echt is.”

Echt is je angst voor de dood.

„Als je 23 bent, kun je de dood nog romantiseren. Ik niet meer, ik ben 37. Er zijn mensen om me heen die wel echt kanker hebben. Ik voel dat ik blij moet zijn dat ik leef. Daar gaat de voorstelling ook over. Nadenken over de zin van het leven vind ik inmiddels nogal stom. Omdat het in feite betwijfelen is of je wilt leven en die twijfel heb ik niet meer. Daar ben ik klaar mee. Dat moest gezegd.”