Kijken door de ogen van vandalen

Afgehakte handen van een beeld, een heilige zonder neus, doorgekraste ogen op een schilderij, uit een boek geknipte figuren, scherven van glas-in-lood, sporen van een bijl in een doek.

Kortom, vandalisme. Maar wel te zien in de Tate Britain in Londen, die met de tentoonstelling Art Under Attack toont hoe al vijfhonderd jaar lang kunstwerken worden vernietigd om politieke, religieuze, morele en artistieke redenen. Dat levert een fascinerend beeld van vernieling op, waar je soms met pijn in je hart naar kijkt.

De expositie Art Under Attack lijdt vanzelfsprekend onder gebrek aan materiaal. Want tijdens de Engelse Reformatie (1536-1540) vernielden beeldenstormers naar schatting 90 procent van de kunst. Wat overbleef, zijn veel fragmenten: koperen boekbindsels uit de abdij van Fountain, een Christus zonder hoofd en armen uit 1260.

De puriteinen onder Elizabeth I deden de Beeldenstorm nog eens dunnetjes over. Afbeeldingen van God, engelen, Christus of Maria werden afgoderij gevonden. Alleen de Bijbel was het woord van God. De Tate toont een triptiek uit de vijftiende eeuw waar de afbeelding is overgeschilderd met witte kalk en een verwijzing naar Deuteronomium 17: „Tegen zijn bevel in buigt zo iemand zich in aanbidding neer voor andere goden [...], breng hem of haar door steniging ter dood.”

Na de zeventiende eeuw werden beelden vooral om politieke redenen vernietigd. Zo liet Willem van Oranje alle standbeelden van James II weghalen, probeerden de Ieren sinds 1779 het beeld van Willem II in Dublin te vernielen, en blies de IRA in 1966 een Nelson’s Column in de huidige O’Connell Street in Dublin op.

Het mooiste voorbeeld is een bronzen beeld van George III dat in Manhattan stond, en na de Onafhankelijkheidsverklaring van 1776 werd omgesmolten. Het brons werd gebruikt als kogels tegen de Britten.

Het deel na de negentiende eeuw levert Art Under Attack een ander probleem: restauratie. Niet de echte Venus voor de Spiegel van Velázquez hangt in de Tate, maar een foto van het schilderij nadat suffragette Mary Richardson het in 1914 met een vleesmes te lijf was gegaan. Nadeel van deze tentoonstelling is ook dat je de kunstwerken alleen nog ziet door de ogen van de vernielers. Equivalent VIII (1966) van Carl Andre bijvoorbeeld is niet meer dan die „stapel stenen” die een boze Brit in 1976 besmeurde met blauwe verf vanwege de verspilling van belastinggeld.

    • Titia Ketelaar