Keynes in Hilversum

‘The important thing for Government’, schreef J.M. Keynes in The End of Laissez-Faire, ‘is not to do things which individuals are doing already and to do them a little better or a little worse, but to do those things which at present are not done at all.’

Je zou iedereen met zeggenschap over de koers van de publieke omroep een exemplaar van dat boek willen sturen. Plus een kopie van LuckyTV van afgelopen maandag. Fragmenten van de liveberichtgeving over de storm, gemonteerd als het verslag van een laagbegaafde videoamateur die een dagje mee mocht met de NOS. „Gerrit had allemaal dingen uitgeprint, op de computer. Toen mochten we naar buiten, om dingen te filmen die met de storm te maken hadden. Een vlag die heel hard wapperde. En allemaal omgevallen brommers. Jeroen was bij het Centraal Station, en die had een ambulance gezien.”

Zelden werd de infantilisering van het televisienieuws zo genadeloos in beeld gebracht. ‘Ach, zoiets kun je van elke nieuwsreportage maken’, zullen ze op de NOS-redactie wel tegen elkaar zeggen, en dat is nog waar ook, maar het doet er niet toe. Als alle goede satire toont het niet wat we zagen, maar wat we eigenlijk zagen.

Met een tiental commerciële zenders kun je moeilijk volhouden dat de markt niet voorziet in de behoefte aan televisie, dus de volgende vraag, volgens Keynes, moet dan zijn: wat laten die marktpartijen liggen dat eigenlijk toch zou moeten gebeuren? In plaats daarvan doet de publieke omroep precies waar Keynes in 1926 al voor waarschuwde: wat de markt al doet, soms iets beter, soms iets slechter. En juist de programma’s die wel voldoen aan Keynes’ criterium – those things that at present are not done at all – staan nu door de bezuinigingen onder druk. Hoogwaardige actualiteitenprogramma’s moeten fuseren en worden weggeprogrammeerd naar minder populaire tijdstippen, redacties worden onder druk gezet de drempel te verlagen, informatie moet infotainment worden. De NTR had deze zomer een programma over wetenschappelijke (on)waarheden, De Factcheckers. Het was om radeloos van te worden: letterlijk elke kunstgreep uit het televisiehandboek om informatie niet gewoon te verstrekken maar op te leuken met spelletjes, animaties, komische filmpjes en BN-gebabbel, was toegepast. En wel zo meedogenloos dat je na een kwartier één ding zeker wist: er kijken nu uitsluitend nog mensen die dit níet willen weten. Iedereen met ook maar de geringste belangstelling voor deze informatie, is gillend weggelopen.

Leidinggevenden van de publieke omroep verdedigen dit beleid altijd met het argument dat de Mediawet dit eist. Artikel 2b van die wet stelt inderdaad dat het aanbod van de PO gericht moet zijn ‘op zowel een breed en algemeen publiek, als bevolkings- en leeftijdgroepen van verschillende omvang en samenstelling, met in het bijzonder aandacht voor kleine doelgroepen’. Een klassiek voorbeeld van de formuleringen die je krijgt als je maar lang genoeg vergadert. De publieke omroep moet een Zeeman zijn die ook haute couture verkoopt. Een McDonald’s waar ook veganisten terecht kunnen. Een delicatessenwinkel voor bijstandstrekkers, maar ook een voedselbank voor grootverdieners. De publieke omroep moet altijd alles doen voor iedereen. Een compromis met maar één nadeel: het is onmogelijk uit te voeren. Eisen we van het Concertgebouw dat ze André Rieu programmeren?

Ik ben er niet van overtuigd dat die passage voor het NPO-bestuur uitsluitend een pijnlijke verplichting vormt (en niet ook een prettig alibi), maar laten we op zijn minst een eerste stap zetten naar een waarachtige, realiseerbare opdracht, en die passage herschrijven. In de geest van Keynes: de eerste prioriteit van de publieke omroep moet liggen bij wat de markt nalaat. Dan kan er misschien nog wel meer af dan tweehonderd miljoen.

Jan Kuitenbrouwer is schrijver en directeur van de Taalkliniek (taalkliniek.nl).

    • Jan Kuitenbrouwer