Je moet ze haast kunnen ruiken

De Franse schilder Henri Fantin-Latour was een meester in bloemstillevens, zo is te zien in Museum Gouda. Wat maakt een bloemstilleven interessant? En waarom zie je ze in de hedendaagse kunst zo weinig?

Foto Tom Haartsen

De prijs voor het lelijkste tentoonstellingsaffiche gaat dit jaar naar de poster van Henri Fantin-Latour – Dromen op doek in Museum Gouda. Voor het campagnebeeld is het mooiste vrouwenportret op de tentoonstelling bruut losgesneden uit de achtergrond en in een bedje van bloemen gezet. Die bloemen zijn bij elkaar gefotoshopt uit Fantins stilleven met viooltjes en margrieten uit het Kröller-Müller Museum. Menig poesiealbumplaatje ziet er aantrekkelijker uit.

Maar laat de onhandige uitnodiging u er niet van weerhouden in Gouda te gaan kijken. Dromen op doek is de eerste Nederlandse tentoonstelling over Fantin-Latour (1836-1904), schilder van – inderdaad – portretten en bloemstillevens, en van een derde type schilderijen dat ze in Gouda ‘dromen’ noemen: fantasievoorstellingen met figuren, vaak geïnspireerd door opera’s van Berlioz, Schumann of Wagner. Er bevinden zich maar liefst 47 schilderijen van Fantin in Nederlandse openbare collecties. Een groot deel daarvan is nu in Gouda, aangevuld met bruiklenen uit Belgische en Franse musea.

Naar het schijnt sloeg Fantin zelf de imaginaire, verhalende figuurstukken het hoogst aan, terwijl het zakelijk gezien interessanter voor hem was om bloemstillevens te schilderen. „Nimmer had ik meer ideeën in mijn hoofd en toch moet ik bloemen schilderen”, schreef hij ooit aan een vriend. „Terwijl ik schilder denk ik aan Michelangelo – met de rozen voor me.” Het citaat is te vinden in een Fantin-Latournummer van Kunstschrift, dat bij de tentoonstelling verscheen.

Echte mensen

Toch doen de fantasieschilderijen van Henri Fantin-Latour nu het meest gedateerd aan. Gedateerd tot de tweede macht zelfs, want het zijn typisch negentiende-eeuwse Franse hernemingen van typisch zestiende-eeuwse Italiaanse voorstellingen. Titiaan en Veronese waren Fantins grote voorbeelden. Quasi-klassieke schoonheden die mythologische figuren spelen in een operadecor met wind- en rookmachines: het zegt ons vandaag de dag niet zo veel meer. Terwijl Fantins portretten échte mensen te zien geven, met dromerige of geconcentreerde, minzame of strenge gezichten. Mensen met karakter. Je zou ze nu nog kunnen tegenkomen, in het theater of op de markt. Hetzelfde geldt voor de bloemen. Fantin schilderde een kleine zeshonderd bloemstillevens, en heus niet altijd even geïnspireerd, maar zijn beste bosjes en boeketten maken je enthousiast voor het genre.

In een goed bloemstilleven wordt opgetogenheid meegedeeld. Je ziet eraan af hoe vrolijk de schilder werd van die vaas met bloemen voor hem op tafel. Hoe hij zich erover verbaasde dat de natuur – al dan niet door kwekers geholpen – zulke intense kleuren en ingewikkelde vormen kan voortbrengen. Dat diepe, diepe paars of blauw of rood. Het is dezelfde sensatie die verf soms oproept: een volle emmer muurverf, of olieverf op een schilderspalet. Dus waarom inderdaad die verf niet gebruikt om bloemen mee weer te geven?

De bloemenschilder analyseert hoe de kleuren zich gedragen in licht en schaduw. Hij krijgt greep op de ruimte, op het volume van het boeket. Hij heeft aandacht voor de zachtheid van kleine blaadjes in het hart van een bloem, die zich tot de grote stugge bladeren aan de stengel verhouden als donshaartjes tot een vacht. Die tactiele kant van de bloem hoeft niet tot op de bladnerf precies te worden weergegeven. De schilder is tenslotte geen botanicus. Zijn stilleven is er niet om uitsluitsel te bieden bij het determineren van bloemensoorten, het wil een ervaring overbrengen. De kijker moet de bloemen haast kunnen ruiken. Ze moeten iets smakelijks hebben, zoals bloemen in het echt ook vaak eetbaar lijken. Een felgele bloem kan op een warme zomerdag in je hoofd iets met citroenwaterijsjes te maken krijgen. Witte pioenrozen doen denken aan dikke dotten slagroom. Zo heeft Fantin-Latour ze dan ook geschilderd, en je moet je inhouden om geen hap uit zijn schilderij te nemen.

Vaas

Als de bloemen verdorren, kunnen ze gewoon in het atelier blijven staan. Zie de herfstachtige bloemstillevens die Floris Verster aan het einde van de negentiende eeuw maakte, of Van Goghs zonnebloemen, die eigenlijk ook al over hun hoogtepunt heen zijn. De smakelijkheid is van de bloemen af, maar nu beginnen ze fijn te knisperen. Het groen wordt geel. Ook goed.

En dan is er de vaas. Liefst een glazen vaas, want die biedt een blik achter de schermen van het bloemstuk. Onder een weelderig boeket van Fantin-Latour uit het Rijksmuseum (nu in Gouda) zijn de stelen en blaadjes samengeperst in een vaas als een glazen keurslijf. In de vaste opstelling van Museum Boijmans Van Beuningen hangt tussen twee Fantin-Latours een opmerkelijk werk van zijn land- en tijdgenoot Philippe Rousseau (1816-1887), die een bol met hyacinten in een bloembollenvaas heeft geschilderd. De bol ligt op de rand en daaronder duiken witte worteltjes het glas met water in. Of eigenlijk de reflecties en toonverschillen die dat glas met water suggereren, want zoals de Engelse schilder David Hockney eens opmerkte, zijn glas en water vergelijkbaar interessant om te schilderen vanwege hun transparantie. Probeer het doorzichtige maar eens zichtbaar te maken.

Verse iPhone-bloemen

Diezelfde Hockney (1937) houdt zich als een van de weinige hedendaagse schilders nog ondubbelzinnig met bloemstillevens bezig, soms zelfs in een heel hedendaagse techniek. In 2009, toen hij net een iPhone had, stuurde hij zijn vrienden vrijwel dagelijks een stilleventje met ‘fresh flowers’, getekend op zijn telefoon. Frisse boeketten, vastgelegd met een frisse blik. Waarom ook niet: we kunnen bloemstillevens blijven maken zolang er bloemen zijn. Zou je denken. Maar het genre lijkt in de loop van de twintigste eeuw te zijn verwelkt. Terwijl hobbyisten nog altijd de ene bloemenaquarel na de andere maken, houden serieus te nemen schilders zich er verre van. Daarom was het verheugend nieuws dat de jonge kunstenaar Jorn van Leeuwen begin deze maand een Koninklijke Prijs kreeg voor twee schilderijen van geraniums. „Ik vind dat geraniums ten onrechte een negatief imago hebben”, zei hij in deze krant. „Het is toch gewoon een mooie plant?”

Persoonlijk kende ik één goede hedendaagse bloemstillevenschilder: de twee maanden geleden overleden Ferry Alink (1937-2013). Bij haar begrafenis stond op de kist een van haar mooiste schilderijtjes, bescheiden van formaat en onderwerp maar brutaal van kleurstelling. Twee zinnia’s en een geranium, allebei felrood, tegen een donkergroene achter- en ondergrond. Lichtgroene steeltjes hangen in het water als de benen van zwemmers. Op de rand van het vaasje leunen drie geraniumknopjes. Drie rode potloodpunten.

Toen ik Ferry pas had leren kennen, een kleine twintig jaar geleden, leende ze me een boek over haar favoriete bloemenschilder. Ik had nog nooit van Henri Fantin-Latour gehoord, maar kwam sindsdien regelmatig werk van hem tegen en deelde haar enthousiasme. De eerste Nederlandse tentoonstelling over hem had ik graag samen met haar bekeken.

Henri Fantin-Latour – Dromen op doek. T/m 30 maart in Museum Gouda, Oosthaven 9, Gouda. Inl: www.museumgouda.nl

    • Gijsbert van der Wal