Hoge Raad moet zich nog uitspreken over Wilders

De Raad van Europa betreurt dat Nederland het Europese Hof over haatzaaien niet volgt. Vraag het de Hoge Raad, schrijft Gerard Spong.

Haatzaaien blijft de gemoederen in ons land verhitten. Dat valt op te maken uit de reacties op het recente rapport van de Raad van Europa over racisme en discriminatie in ons land. Vooral de boodschapper, niet de inhoud moest het ontgelden. De Raad was een overdreven politiek correcte club van overwegend linkse signatuur. Hij zou nogal eenzijdig en beperkt (literatuur)onderzoek hebben gedaan, waarmee de oppervlakkigheid werd benadrukt. En kom vooral niet aan onze politicus Wilders. Die was toch vrijgesproken, geen hoger beroep was gevolgd, dus waar zeuren we nog over.

Ook de bekende argumenten waarom ‘hate speech’ niet strafrechtelijk moet worden aangepakt vlogen weer over tafel. Een veelgehoord argument luidt dat ‘hate speech’ de prijs is die we betalen voor het leven in een vrije samenleving. Slachtoffers moeten maar verbaal reageren of de kwestie negeren en overgaan tot de orde van de dag in dit vrije land. Dit argument gaat eraan voorbij dat de prijs van ‘hate speech’ betaald wordt door één groep. De ‘we’ in ‘de prijs die we betalen’ betekent in werkelijkheid ‘zij’! Het argument dat het slachtoffer toch zelf wel verbaal terug kan slaan doet gekunsteld aan. Hoe kan iemand een uitdrukking ‘vuile Marokkaan, je hoort hier niet thuis, ga terug naar je Rifgebergte’ verbaal te lijf gaan? ‘Hate speech’ is zelden een uitnodiging tot een dialoog, maar veeleer een slag in het gezicht. Haatzaaien blijft, hoe wij het ook wenden of keren, tot gevolg hebben dat slachtoffers sociaal gemarginaliseerd worden. Daarin ligt het kwaadaardige ervan besloten.

In zijn rapport wijst de Raad van Europa erop dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens al diverse malen duidelijke grenzen heeft getrokken. Hij betreurt het dat die Europese rechtspraak in zaken van politici (Le Pen, Norwood en Féret) hier in de Wilderszaak onvoldoende heeft gewogen. Volgens deze rechtspraak is strafrechtelijke inmenging in de vrijheid van meningsuiting van een politicus gerechtvaardigd ter bescherming van de reputatie of de rechten van anderen. Dat is ook zo als een politicus in zijn uitlatingen de ‘moslimgemeenschap’ duidelijk als geheel en op een zodanig verontrustende manier heeft gepresenteerd dat dit kan leiden tot gevoelens van afwijzing en vijandigheid. In zijn overwegingen heeft de Raad van Europa laten meewegen dat volgens de raad hoger beroep had moeten worden ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank om in de Nederlandse jurisprudentie recht te doen aan de jurisprudentie van het Europese Hof, des te meer omdat het gerechtshof in Amsterdam vervolging had bevolen.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft destijds na het vrijsprekend vonnis een verzoek tot cassatie in belang der wet niet willen honoreren. Hem is dit nu opnieuw gevraagd. Dit buitengewone rechtsmiddel kan hij alleen aanwenden, als hij het oordeel van de Hoge Raad nodig acht tegen een rechterlijke beslissing, waartegen geen gewoon rechtsmiddel open staat. Een eventuele vernietiging van het bestreden oordeel werkt relatief: zij geldt alleen ten aanzien van de wet. Voor de ex-verdachte blijft de vernietigde uitspraak onverminderd van kracht.

Waarom is cassatie in het belang der wet zo belangrijk voor deze kwestie die de samenleving min of meer heeft gespleten? Het antwoord kan gevonden worden in het criterium dat in het Verenigd Koninkrijk door de Supreme Court wordt toegepast: het moet gaan om ‘a point of law of general public importance which ought to be considered by the Supreme Court’. Anders gezegd: het algemeen belang. Aan dit criterium is in deze zaak alleszins voldaan. Zeker nu de Raad van Europa, die waakt over de mensenrechten, aan de bel heeft getrokken. Het zou onze rechtsstaat sieren deze Europese handschoen op te pakken.

    • Gerard Spong