Het oor van Stalin heeft weer toekomst

Wie geen toeristen wil tegenkomen in Berlijn moet naar de dierentuin gaan. Niet naar de Zoo, in het voormalige West-Berlijn, in Charlottenburg. Daar krioelt het juist van mensen uit alle windstreken. Maar de echte Duitser, actief in zijn eigen biotoop, kun je observeren in het Tierpark. Dat ligt in het voormalige Oost-Berlijn, in Friedrichsfelde dat zich aan de toeristenstroom onttrekt. Berlijn heeft veel dubbele voorzieningen overgehouden aan de Duitse deling, en de dierentuin is er een van.

Het Tierpark, in 1955 begonnen in een kasteeltuin, pocht nu dat het met een oppervlak van 160 hectare de grootste dierentuin is van Europa, met de meeste soorten: duizend.

Ik dacht altijd dat het wel weer zo’n ex-DDR plek zou zijn, vol half-tragische overblijfselen van de als heilstaat vermomde dwangstaat. Maar dat is niet de eerste indruk bij het betreden van de tuin van het prachtige zeventiende eeuwse door een Nederlander gebouwde landhuis. De tamme pelikanen die hier bedaard los rondwandelen zijn helemaal niet zielig. De Duitsers haasten zich in gezinsverband naar de overige hectaren, brood mee in de rugzak. Ze willen snel die 999 andere soorten in het park zien.

De dierentuin smokkelt wel een beetje. Oké, ik had nog niet eerder een kudde rendieren van dichtbij gezien. Maar weitjes met koeien, boerenknollen en shetlandpony’s? En dan de vele dieren van brons. Zouden ze bij het turven van de soortenrijkdom ook de sabeltandtijger hebben meegeteld?

Terwijl ik naar vier in avontuurlijke poses rondsluipende bronzen mannetjesleeuwen kijk, bij het roofdierenhuis, realiseer ik mij dat zij beschikken over het DNA van de secretaris-generaal van de Russische communistische partij Josef Stalin. Althans van diens standbeeld.

In 1961, dus acht jaar na het overlijden van Stalin, werd het beeld ’s nachts verwijderd uit het centrum van Oost-Berlijn. Het werd in stukken gezaagd, omgesmolten en verwerkt in deze dierfiguren. De arbeiders die daarbij betrokken waren kregen opdracht niks mee te nemen en te zwijgen over de hele operatie. Op mijn mobiele telefoon lees ik dat desondanks een van de werklui stukken Stalin heeft meegenomen: een halve snor en zijn linkeroor.

Het oor van Stalin vind ik terug in een vitrine in de kleine permanente tentoonstelling van café Sybille aan de Karl-Marx-Allee, voorheen Stalin-Allee. Voor een beeld dat bijna vijf meter hoog was, is het oor verbazingwekkend klein: zo groot als mijn hand. Die halve knevel is niet groter dan een flinke hondendrol. De rest van Stalin zit in die leeuwen in het Tierpark.

Maar wat heeft Berlijn toch met beelden van grote leiders? Neem het ruiterstandbeeld van Frederik de Grote op Unter den Linden. Dat was in 1950 verwijderd door de communisten en in 1960 ook bijna omgesmolten. Maar in 1981 volgde een herwaardering en Alte Fritz ging terug naar zijn plek.

Lenin stond sinds 1970 in negentien meter hoog graniet op zijn eigen plein in Oost-Berlijn. Drie jaar na de Wende, in 1992, werd ook hij in vele stukken gezaagd en daarna ergens net buiten Berlijn bij Köpenick op de hei begraven.

Maar de verering van machtige mannen kan hardnekkig zijn. Er is later altijd wel weer een reden om de beeltenis van de oude heerser op te poetsen. En dat geldt ook voor Lenin. Zijn kop zal worden opgegraven en naar nu wordt verwacht vanaf volgend jaar in de citadel van Spandau te zien zijn in een tentoonstelling Enthüllt – Berlin und seine Denkmäler (Onthuld – Berlijn en zijn standbeelden).

Nu iedereen zo verontwaardigd is over afluisterende inlichtingendiensten, is er daar in Spandau straks misschien ook nog plaats voor Stalin. Althans voor zijn oor. Een afschrikwekkend symbool voor staten die geen respect hebben voor de persoonlijke levenssfeer van hun burgers.

    • Frank Vermeulen