Dom optimisme is ook gevaarlijk

Lydia Krabbendam onderzoekt hoe vooroordelen ons denken beïnvloeden. Je kunt je tegen je eigen ‘voorspellingen’ wapenen. „Zet een andere bril op.”

Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron. Foto AFP

redacteur Wetenschap

Ze wou dat ze het onderzoek zelf had gedaan, zo interessant. Leg een groep mensen die ongeveer even intelligent zijn in de hersenscanner en laat ze telkens een vraag uit een IQ-test beantwoorden. Vertel ze na elke vraag hoe goed ze die hebben beantwoord, vergeleken met de anderen.

De proefpersonen zijn allemaal ongeveer even slim, dus soms scoren ze beter, soms slechter dan de rest. In het begin merk je niks aan hun prestaties. Maar na een tijdje zie je opeens dat één groep steeds slechter gaat presteren. Het ‘angstcentrum’ in hun brein licht ook op. Het zijn allemaal mensen die een paar keer te horen hebben gekregen dat ze een vraag slecht hebben beantwoord. Die geloven er niet meer in, die worden bang. En zakken af.

Zulke effecten fascineren Lydia Krabbendam. Ze is is hoogleraar Onderwijsneuropsychologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Krabbendam (42) houdt zich bezig met hoe onze vooroordelen waarneming en denken beïnvloeden. Die vooroordelen, of ‘voorspellingen’, zoals zij ze noemt, zijn vaak aangeleerd.

Vandaag geeft Krabbendam een lezing op conferentie TEDx in Breda over ‘hoe ons brein de toekomst voorspelt’. In haar kamer op de VU licht ze haar onderzoek toe.

Hoe werken die ‘voorspellingen’?

„Een bekend voorbeeld is wiskunde bij jongens en meisjes. Jongens zíjn niet beter in wiskunde dan meisjes. Toch kiezen meisjes nauwelijks exacte vakken. Dat moet dus voor een deel aangeleerd zijn. Let maar eens op. Als een meisje een onvoldoende voor wiskunde haalt, zeggen de ouders vaker: kom op, dat is niet zo erg, je kunt het vak laten vallen. De impliciete boodschap is: vergeet het maar, je kunt dit niet, dit is niet voor jou. Tegen jongens wordt vaker gezegd: leer maar wat harder.”

Noem nog eens zo’n voorspelling?

„Je kunt denken dat je ergens beter in kunt worden, of dat er niks meer valt te veranderen. Dat heeft gevolgen, dat is aangetoond bij mensen die een test deden terwijl hun hersenactiviteit werd gemeten. Sommigen waren ervan overtuigd dat hun IQ vastligt. Anderen dachten dat je met oefenen je IQ omhoog kunt krijgen.

„Wat de onderzoekers zagen is dat die gedachte van invloed is op de manier waarop de proefpersonen met feedback omgingen. De mensen die dachten dat hun IQ vastligt, negeerden hun fouten. Er was toch niks aan te doen. De anderen gaven wel aandacht aan de feedback – dat zag je ook aan de metingen – en gingen er mee aan de slag.”

Hoe wapen je je tegen een negatief vooroordeel?

„Je moet een andere bril opzetten. Bedenk dat je met oefening veel kan leren. Kijk naar richtingsgevoel. Ik verdwaal zelf heel gemakkelijk. Als je denkt dat je er nooit beter in wordt, dan vermijd je die situaties, of je gaat als een kip zonder kop rondrijden tot je wat bekends tegenkomt. Maar als je besluit dat je er beter in gaat worden, dan probeer je je de route goed voor te stellen, of je rijdt expres een keer een andere route terug. En grote kans dat je er dan echt beter in wordt.”

Je kunt dus worden wat je wilt, als je er maar in gelooft.

„Nee. Dom optimisme is ook gevaarlijk. Als je dyslexie of autisme hebt, zijn sommige dingen echt moeilijker te leren. Er zijn nu eenmaal individuele verschillen. Maar als docent of ouder moet je niet op basis van een paar voorbeelden meteen denken: dit kind kan dat niet. Het feit is: je weet van te voren niet hoe ver iemand met oefening kan komen. Je moet het gewoon proberen. Elk klein stapje vooruit is mooi.”

Hebben vooroordelen meer effect op mannen of op vrouwen?

„Dat weten we niet precies. We weten wel dat in het algemeen jonge meisjes gevoeliger zijn voor signalen van afwijzing. In de puberteit hebben ze vaker een dip in hun zelfvertrouwen en meer last van depressies. Jongens zijn meer gericht op status. Je kunt zeggen dat meisjes doorgaans geneigd zijn zichzelf te onderschatten en jongens zichzelf te overschatten. Je kunt je voorstellen dat meisjes dus gevoeliger zijn voor signalen van ‘dit kun jij niet’.

„In dat IQ-onderzoek in de scanner zaten ook opvallend veel vrouwen in de groep die opeens slechter ging scoren. Waarom weten we nog niet. Maar” – ze lacht – „we denken wel meteen: dat vermoedden we al.”

Misschien is het wel goed dat leerlingen uit het speciaal onderwijs nu in gewone klassen belanden. Zij worden dan niet als ‘speciaal’ gezien.

„Tja, nou ja, het is als docent natuurlijk wel fijn om op basis van kennis en ervaringen te begrijpen: die leerling doet zo en dat is daarom. Een docent zit wél met dertig kinderen in de klas. Ik pleit, denk ik, voor een houding van niet te snel conclusies trekken. Even kijken wat er nog meer inzit.”

Hoe weet je nu welk gedrag is aangeleerd door verwachtingen en wat er echt in zit?

„Dat is moeilijk. Ik heb zelf een jongen en een meisje. Het jongetje is echt een jongetje. Zo één die het hoofd van de barbie van z’n zusje trekt. Hij is ook drukker, en al heel snel pas je daar je eigen gedrag op aan. Dat kan zijn gedrag weer versterken. Je kunt dus al vrij snel na de geboorte niet meer uit elkaar houden wat is aangeboren en wat aangeleerd.

„Het doet er uiteindelijk ook niet zo toe. In ons vakgebied gaat het erom hoe we inzichten kunnen vertalen naar de klas. We weten dat het uitmaakt wat je van leerlingen verwacht. En de hersenen kunnen altijd veranderen door nieuwe ervaringen. Niet alleen van kinderen, ook van adolescenten en volwassenen.”

Je hebt voorspellingen toch ook nodig om anderen snel in te kunnen schatten?

„Absoluut. Ik ben van huis uit neuropsycholoog en heb veel onderzoek gedaan naar psychoses. Bij psychotische mensen gaat het systeem van voorspellingen doen helemaal mis. Alle prikkels komen binnen. Ze kunnen waarnemingen niet goed filteren, niet goed ordenen.

„Een gezond brein maakt dus voorspellingen. Je kunt niet denken: ik doe dat niet. Maar je kunt je wel bewust worden van de gevolgen van mindsets.”

Hoe voorkomt u nadelige vooroordelen over uw eigen kinderen?

„Ik merkte het toen ik voor mijn inauguratie mijn zwarte hoogleraarstoga aandeed. Mijn dochtertje schrok van dat zwarte kleed, haar speelgoed is nooit donker gekleurd. Ik word nóóit professor, zei ze. Toen realiseerde ik me: ze heeft nu al een idee over wat ze zelf wil en kan worden. Ik wil me daar bewust van zijn. En niet één keer, maar elke keer.” 

    • Carola Houtekamer