‘Authentiek? Dat vind ik een kutwoord’

De cabaretière en taalcolumnist speelt haar derde programma, ‘Maar ondertussen’. Daarvoor tapt ze haar eigen bloed af, en laat haar publiek via een microscoop haar celmateriaal zien. „Die cellen, dat ben ik óók.”

Paulien Cornelisse in haar tweede show, ‘Hallo Aarde’ foto’s mamvandam

Paulien Cornelisse heeft bloed in haar koelkast staan. Haar eigen bloed, in buisjes. Acht heeft ze er afgetapt om te gebruiken in haar nieuwe, derde programma Maar ondertussen. De hoeveelheid valt mee, stelt ze, zwaaiend met een buisje. „Als je bloed geeft als donor, is dat meteen een halve liter. Brrr. Dit zijn kleine buisjes.” De buisjes vervoert ze in een reistasje voor diabetici, dat een koelelementje bevat. „Bloed blijft vrij lang goed.”

Ze heeft ook nog gist op kweek staan. En ze heeft haar eigen microscoop gekocht. Daarmee laat ze de zaal haar speeksel en bloed uitvergroot op de achterwand zien: sloom rondzwemmende cellen. Het is een knipoog naar het idee dat ze als cabaretier iets van zichzelf moet laten zien. Het publiek krijgt haar zelf, letterlijk.

We leven bewust, maar ondertussen gebeurt er van alles in ons en buiten ons wat aan onze aandacht ontsnapt. Daar wil Cornelisse het over hebben. Wie haar waardeert als taalcolumnist komt ook aan zijn trekken. Van het sleutelwoord ‘ondertussen’ wordt bloed afgetapt en het DNA vastgesteld. Het is het soort taalanalyse waar Cornelisse, auteur van Taal is zeg maar echt mijn ding en En dan nog iets, tuk op is.

„Piepkleine dingen zijn belangrijker dan over het algemeen wordt aangenomen”, is haar overtuiging. „In het grote maatschappelijke debat is er geen aandacht voor dat beslissingen worden genomen omdat iemand toevallig chagrijnig is.”

Heeft u daar een voorbeeld van?

„Nee, maar als ik mezelf laat beïnvloeden door kleine dingen, dan is dat bij andere mensen niet anders. Mensen doen soms alsof ze volstrekt rationeel zijn, terwijl ik zie dat ze niet de waarheid spreken. Dan klopt wat ze zeggen niet met hun stem of hun lichaamshouding. Ik denk dat – misschien ten onrechte – vrij goed door te hebben.”

Waarover gaat het programma verder?

„Ik hoorde dat ik onrustige cellen had, een voorloper van baarmoederhalskanker. Het bleek niet ernstig, maar ik was er een tijdje heel angstig van. Tegelijk raakte ik gebiologeerd door die term: onrustige cellen. Aan de dokter vroeg ik of ik dat zo tegen mijn moeder moest zeggen. ‘Nee’, zei zij, ‘want dan denkt ze dat je kanker hebt!’ Het is dus een eufemisme dat toch te eng klinkt. Die cellen ben ik ook. Dat leek me mooi om te laten zien. Zo kwam ik op de microscoop.”

Hoe werkte u dat uit?

„Ik las dat je bij een Amerikaans bedrijf je DNA kon laten uitzoeken. Dat leek me geweldig. Ik ontdekte dat ik voor 3 procent Neanderthaler ben, meer dan gemiddeld. Dat is grappig. Het is een schijnmanier om jezelf te leren kennen.”

Wat trekt u aan in die nutteloze kennis?

„Ik geloof niet zo in een constante identiteit. Persoonlijkheid is fluïde. Als je de vijftig mensen die het dichtst bij je staan een vragenlijst laat invullen over wie jij bent, dan is er geen consensus. Dat is onderzocht. Een persoonlijkheid is situatieafhankelijk. DNA-materiaal daarentegen staat vast, maar het zegt niet zo veel.”

Waarom gebruikt u uw eigen bloed?

„Ik hou ervan dat theater echt is. Eigen bloed maakt het echt. En bijzonder: een cabaretvoorstelling waar voor gebloed is.”

Is een microscoop bruikbaar bij cabaret?

„Andere dingen zijn al grappig, dus dat kan wel. Niet elke zin hoeft een punchline te hebben.”

Verder blijft u juist ver van het persoonlijke.

„Persoonlijke ontboezemingen zijn niet zo mijn stijl, al zijn de angst en de obsessie na het ziekenhuisbezoek waarover ik vertel wel echt van mij. Ik vertel in mijn programma’s eerder verhalen die toevallig grappig zijn. Daarbij ga ik af op wat mij zelf doet lachen en ik glimlach eerder om observaties over het leven in het algemeen.”

Zijn uw columns potentieel materiaal?

„Helemaal niet. Op het podium wil ik graag iets anders doen. Alleen over de kleur beige heb ik al eens geschreven.”

En over de uitdrukking ‘heb je het een beetje kunnen vinden’. Toch?

„Grappig. Dat weet ik niet meer. Ga ik checken.” Cornelisse pakt de laptop erbij. „Je hebt gelijk. Ach, waarom ook niet.” Maar ze kijkt ongelukkig. „Martin Bril zei geloof ik: ‘Spread the product.’ Maar ik ben een calvinist wat dat betreft.”

U bent voortdurend alert op hoe mensen formuleren. Waarom?

„Het is voor mij de belangrijkste manier om überhaupt te begrijpen wat er gaande is. Heel vaak snap ik niet waarom iemand iets zegt zoals hij het zegt. Micha Wertheim zei een keer tegen me: ‘Ik snap hoe het zit: taal is helemaal niet je ding.’ Door mijn onbegrip ben ik er zo op gefocust.”

Wat zegt ons taalgebruik over ons?

„Veel. Het is de belangrijkste clou die we hebben over wat iemand denkt. Niet alles, want we lullen vaak om de zaken heen. Maar hóé iemand eromheen lult, zegt iets over die persoon. Sommige mensen proberen zich door hun taalgebruik grandiozer neer te zetten dan ze zijn. Anderen zijn bescheidener. Voor mij zegt taalgebruik meer dan wat iemand aanheeft.”

U bent een soort taalpsycholoog?

Cornelisse, dochter van twee psychologen, lacht afwerend. „Dat klinkt te wetenschappelijk. Het is hoe ik in het leven sta.”

Op het podium en in uw columns bent u wars van harde oordelen. Waarom?

„Ik heb wel irritaties, ook over taalgebruik, maar die zeggen ook iets over mijzelf. Mensen die iets over taal zeggen, willen vaak alleen iets over de ander zeggen. Ik kan me niet voorstellen dat je je niet afvraagt waarom je een bepaalde mening hebt. Ik voel me verplicht een paar stappen verder te denken dan ergernis en verwondering. Ook in het theater.”

De balletmoeder die u ter sprake brengt, zou zich goed voor venijnig commentaar lenen.

„Daar zeg ik toch best valse dingen over? Niet? Ja, misschien kan ik langer op haar doorgaan. Iemand anders zei ook dat ik onderwerpen te snel afbreek. Ik denk snel: dit lijkt me wel duidelijk.”

Wat is er prettig aan op het podium staan?

„Als het goed gaat en ik me goed voel, ontstaat er een eenheid met de mensen in de zaal. Dan maken we allemaal hetzelfde mee. Dan voel ik verbondenheid. Euforie. Het is ook fijn dat ik mijn particuliere gedachten kan overbrengen en dat mensen mij begrijpen. Als ik het beige potlood zielig vind, dan deelt niet de hele de zaal dat met me. Maar herkenbaarheid is geen streven. Ik wil iets maken wat mensen verrast.”

Hoe ziet u uzelf als performer?

„Bedoel je dat ik bijvoorbeeld vreemd overkom? Ik kan dat niet van mezelf zeggen. Hoe ik doe wordt grappig gevonden, maar ik ben er niet mee bezig. Ik weet dat een optreden een artificiële situatie creëert en dat ik sta te spelen, maar mijn zorg is dat er iets echts gebeurt. Omdat ik eigenlijk een soort weerzin tegen acteren heb.”

U wilt authentiek zijn?

„Dat is een kutwoord. Ik wil dat het echt is. Alles, ik, het bloed. Omdat de ervaring met de zaal dan ook echt is.”

Echt is uw angst voor de dood.

„Als je 23 bent, kun je de dood nog romantiseren. Ik niet meer, ik ben 37. Er zijn mensen om me heen die wel echt kanker hebben. Ik voel dat ik blij moet zijn dat ik leef. Daar gaat de voorstelling ook over.

„Nadenken over de zin van het leven vind ik inmiddels nogal stom. Omdat het in feite betwijfelen is of je wilt leven en die twijfel heb ik niet meer. Daar ben ik klaar mee. Dat moest gezegd.”

Paulien Cornelisse: ‘Maar ondertussen’. Première donderdag 31 okt, Kleine Komedie, Amsterdam. Tournee t/m 2 mei 2014. Inl: pauliencornelisse.nl

    • Ron Rijghard