Yolo

We gingen naar het Verzetsmuseum Junior, de nieuwe kinderafdeling van het Amsterdamse Verzetsmuseum. Ze zijn er daar trots op. Een oudere medewerker bij de ingang jubelde naar mijn kinderen: „Er is zó veel te doen! Als je eenmaal door de tijdmachine bent, wil je nooit meer weg!” Hij klom nog net niet over de balie om lekker méé te gaan.

Cool: de Tweede Wereldoorlog. Eerst was er een introductiefilm waarin de vier kinderen werden voorgesteld over wie de tentoonstelling gaat: een Joods meisje (Eva), de zoon van een verzetsman (Jan), een dochter van een NSB’er (Nelly) en een zoon van een familie die zich aanpaste (Henk). De verteller zei op neutrale Jeugdjournaal-toon dat Joden opeens niets meer mochten – ook niet naar Artis. Close-up met bordje ‘Verboden voor Joden’, beelden van spelende kinderen. Dus wat te doen, was de vraag, als je moeder je mee naar Artis nam en je Joodse vriendje van de overkant wilde ook? Zei een moeder dan misschien dat het even niet zo goed uitkwam?

„Verzet begint niet met grote woorden/ maar met kleine daden”, schreef Remco Campert in zijn beroemde gedicht, en mijn generatie zat als die woorden rond Bevrijdingsdag weer eens werden voorgelezen altijd vroom te knikken. Tuurlijk, verzet. Dat dééd je. Daardoor vinden veel veertigers en ouderen het nog steeds gelul, om het maar even op zijn Henk Westbroeks te zeggen, als de Raad van Europa zich kritisch uitlaat over ons ‘afwijzende en vijandige klimaat’. En is de korpsleiding van de Nederlandse politie het er ijskoud mee „oneens” wanneer Amnesty International vaststelt dat gekleurde mensen hier nogal vaak worden aangehouden. Tolerant tot op het bot, hè: „Denk niet wit, denk niet zwart”, zongen wij Frank Boeijen na, „máárrrr in de kleur van je hart.”

Maar mijn kinderen? Die zeiden gewoon dat ze niet wísten wat ze zouden doen, met Artis. Ik beet op mijn tong om niet snel iets corrects te zeggen, zoals mijn ouders. Eerst maar eens de tentoonstelling zijn werk laten doen.

Uren probeerden we alles uit: vier films, de huisjes van de hoofdpersonen waar ieder laatje open kon, het morseapparaat, de quiz ‘onderduiken ja of nee’. Daarna waren mijn kinderen eensgezind over de vraag wie ze „het leukst” vonden:

Nelly, het NSB-kind.

„Het gaat altijd over Anne Frank maar ik vond het heel leuk om te zien hoe de kinderen die vóór Hitler waren leefden”, zei mijn onbevangen dochter (9). „Ik wist dat allemaal niet!”

Tja. Dit leek me nou dus precies de plek waar het Verzetsmuseum Junior tussen de regels graag wat rond port, in het geweten van ouders. Dit kindermuseum is stiekem minstens zo leerzaam voor volwassenen.

En bij de uitgang mocht je briefjes ophangen met je mening. Iemand had enthousiast geschreven: „Yolo!”

You only live once. Het klonk niet helemaal hetzelfde als Camperts „jezelf een vraag stellen/ daarmee begint verzet”, maar op deze plek leek het minstens zo gemeend bedoeld.

„En dan die vraag aan een ander stellen.” Yolo.

Margriet Oostveen (m.oostveen@nrc.nl) schrijft op deze plek een wisselcolumn met Arjen van Veelen (a.v.veelen@nrc.nl)