Pers zonder mening bestaat niet/wel

‘Keller vs Greenwald’ is een felle polemiek over de objectiviteit van de pers. Moet een journalist altijd schrijven wat hij er zelf van vindt?

Bill Keller (links) en Glenn Greenwald Foto’s AFP, Fotobewerking NRC Handelsblad

Wilt u weten wat ik vind van de polemiek tussen columnist Bill Keller en Glenn Greenwald over de toekomst van de journalistiek?

Volgens Keller, oud-hoofdredacteur van The New York Times, wilt u dat niet. De mening van de verslaggever doet er niet toe. De journalist moet zo objectief mogelijk berichten en zichzelf niet in het verhaal schrijven, zo leren elk jaar nieuwe lichtingen studenten journalistiek. Pas als de journalist een plaatsje heeft gekregen op de opiniepagina, dan mag zijn mening in de krant. Tot die tijd vermijdt hij of zij het gebruik van het woord ‘ik’, zoals deze verslaggever vermoedelijk tot afschuw van oud-docenten – al in zijn eerste zin! – niet heeft gedaan.

Maar een nieuwe generatie journalisten, onder wie Greenwald, heeft maling aan deze regel en vindt zelfs dat een poging tot onpartijdigheid de lezer misleidt. Over dit onderwerp heeft Greenwald een week heen en weer gemaild met Keller. The New York Times publiceerde die mailwisseling zaterdag op de plek van de column van Keller. Het is een grotendeels beschaafde polemiek met interessante argumenten aan beide kanten. De discussie krijgt op Twitter lovende verwijzingen.

Het debat gaat over veel aspecten van de journalistiek, maar de belangrijkste kwestie waarover de twee van mening verschillen is of een journalist geloofwaardiger is als hij bekendmaakt wat zijn standpunten zijn. Greenwald vindt van wel. „We nemen allemaal de wereld waar door subjectieve prisma’s. Wat is de waarde van doen alsof dat niet zo is?” De ‘journalist zonder mening’ is een mythe, schrijft Greenwald.

Natuurlijk hebben journalisten meningen, erkent Keller, maar het gaat erom dat deze tijdens het werk genegeerd moeten worden ten gunste van de feiten, „zoals een rechter zijn vooroordelen terzijde schuift om zich te laten leiden door de wet en het bewijs”. Journalisten moeten de discipline opbrengen alle feiten te wegen en dan een conclusie te trekken, zelfs als die indruist tegen je eigen (voor)oordelen. Daarbij, wanneer een journalist eenmaal publiekelijk zijn politieke mening heeft verkondigd, zal hij geneigd zijn om deze te verdedigen. Volgens Keller wordt het dan verleidelijk om feiten weg te laten.

Maar dat gaat er bij Greenwald niet in. „Waarom zouden verslaggevers die hun mening geheim gehouden minder geneigd zijn hun verslaggeving te manipuleren dan zij die eerlijk zijn over hun opinies?” Greenwald vindt dat juist waardevolle informatie: als hij had geweten dat New York Times-correspondent John Burns „redelijk positieve opvattingen” had over de Amerikaanse invasie van Irak, had Greenwald zijn artikelen anders gelezen.

Greenwald is een belangrijke voorstander van meer activisme in de journalistiek. Hij maakte de afgelopen maanden op basis van documenten van Edward Snowden details over de afluisterpraktijken van de NSA wereldkundig. Deze week verlaat hij de krant The Guardian, waarin veel van zijn onthullingen werden gepubliceerd, om een nieuw medium op te richten. Daarvoor krijgt hij geld van eBay-miljardair Pierre Omidyar.

Bij The Guardian was Greenwald sinds augustus vorig jaar columnist. De lezers kenden dus zijn opinies. Dat maakte hem volgens Keller ongeschikt om de verhalen over de NSA-documenten zelf te schrijven. „Als een van onze columnisten een verhaal had gevonden van die grootte [...] dan hadden we het overgedragen aan onze verslaggevers”, zei Keller eerder in The New Yorker. Dat leidde tot een boze reactie van Greenwald. Die opmerking van Keller is volgens Greenwald reden waarom mensen als Edward Snowden niet naar de Times stappen.

De polemiek tussen Keller en Greenwald komt dan ook niet uit de lucht vallen. Greenwald is al langer kritisch op traditionele Amerikaanse media, omdat deze de regering van George W. Bush zou hebben geholpen „in het verspreiden van leugens die tot de Irak-oorlog leidden”.

Vooral de angst partijdig te worden gevonden leidt er volgens Greenwald toe dat journalisten zich er gemakkelijk van afmaken door te melden wat de verschillende partijen zeggen en geen conclusie te trekken. Hij noemt dat de laffe en onbehulpzame ‘dit-is-wat-beide-kanten-zeggen-en-ik-los-het-conflict-niet-op’-formulering. Politici en bedrijven kunnen er dan van op aan dat hun „leugens” onweersproken in de krant komen.

Daar gaat Keller niet echt op in, terwijl een tegenbeweging wel te zien is, aldus Rick Edmonds, mediaonderzoeker aan het Poynter Instituut in Florida. In een bespreking van de polemiek op de radio zei Edmonds maandag dat langzaam maar zeker media meer mankracht stoppen in ‘fact checken’. Het gaat dus de goede kant op.

Hoewel Greenwald voorstander is van openheid over de mening van journalisten, benadrukt hij dat journalistiek alleen waardevol is als die gebaseerd is op feiten, bewijs en controleerbare data. Wat dat betreft zijn Keller en Greenwald het eigenlijk eens.

Wat op Twitter en in forums is samengevat als ‘Keller vs Greenwald’, is dan ook genuanceerder dan die boksaankondiging doet vermoeden. Dat blogt ook de Britse journalist Andrew Sullivan. Hij schrijft dat lezers beide nodig hebben: een poging tot onpartijdigheid én een pers die openlijker uitkomt voor de eigen vooroordelen. Zijn blog The Dish heeft niet voor niets de ondertitel Biased & Balanced. „We moeten nog zien wat Glenn en zijn toekomstige collega’s produceren”, aldus Sullivan. „Maar we hebben hem nodig. Met een beetje geluk maakt de concurrentie ook de NYT scherper.”

Tot slot komt de verslaggever nog even tegemoet aan de wensen van het kamp-Greenwald – wie van de Keller-lijn is mag hier ophouden met lezen. Beide heren bieden interessante analyses, maar Greenwald heeft in de polemiek net iets sterkere argumenten. Uiteindelijk is zijn pleidooi voor een mening gestaafd door controleerbare data het belangrijkste. Vind ik.

Lees ook het blog van NRC-ombudsman Sjoerd de Jong: nrc.nl/ombudsman.