Op feestjes praat ik liever niet over werk

Weer krijg je opslag omdat je zo goed bent Maar je baan vind je vreselijk Mark (34): „Ik zorg ervoor dat de klantenservice draait met 1.100 mensen in plaats van 1.200. Hoe irrelevant is dat?”

Het gebeurde tijdens het kerstdiner. De 34-jarige Mark (achternaam wil hij niet in de krant) vertelde aan tafel over zijn baan. „Ik vond mijn werk belangrijk, had een hoge functie en draaide mooie projecten. Maar niemand toonde echt interesse. En opeens dacht ik: dat snap ik ook wel. Ik ben manager verbeteringsprojecten bij een groot energiebedrijf. Ik zorg ervoor dat de klantenservice draait met 1.100 mensen in plaats van 1.200. Hoe irrelevant is dat? Mijn werk heeft tot doel een aandeelhouder nóg wat rijker te maken.”

Sindsdien geneert hij zich een beetje als hij op feestjes vertelt wat hij doet.

Maar hij is er wel goed in.

Heel goed zelfs: zijn salaris is drie keer modaal, hij heeft een talent development-programma doorlopen en wordt voorbereid op een seniormanagement functie. „Mijn pad is uitgestippeld. Maar ik zit steeds maar te denken, wat als ik dat niet wil? Durf ik weg te gaan?”

Met hetzelfde dilemma zat de 31-jarige neurowetenschapper Laura Menenti een jaar geleden. Ze deed twee studies, beide cum laude, en promoveerde daarna ook nog cum laude. „Ik zag wetenschap als een puzzel die je op mag lossen, en was daar goed in. Ik merkte dat ik als talent werd gezien.”

Maar toch knaagde er wat. Met vrienden praatte ze niet veel over werk. Ze was blij als ze de deur van kantoor dichttrok. „Ik besefte dat pas goed toen we op retraite gingen om te brainstormen over nieuwe onderzoeksprojecten en ik totaal geen creativiteit voelde. Ik kreeg steeds meer het gevoel dat wetenschap een soort bezigheidstherapie was, dat ik vragen aan het verzinnen was die ik zelf mocht oplossen. Ik wilde weten wat het nut was.”

60 procent tevreden met hun werk

Blij zijn met je baan. Núttig werk verrichten. Het is allang niet meer van deze tijd om een baan te hebben waar je ‘inrolt’. Je moet – ondanks de crisis – werk vinden dat bij je past en waar je gelukkig van wordt.

En tevreden over ons werk zijn lukt ons aardig: uit een grootschalige, jaarlijkse enquête van onderzoeksbureau TNO en het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt dat 60 procent van de werkende mens ‘tevreden’ is met het werk. 18,1 procent is zelfs zeer tevreden. Slechts 7,2 procent rapporteert ontevreden te zijn.

Naar de reden van tevreden zijn over ons werk wordt veel onderzoek gedaan, vertelt Wilmar Schaufeli. Hij is hoogleraar arbeids- en organisatiepsychologie aan de Universiteit van Utrecht. „Allereerst is een optimistisch persoon eerder tevreden dan een pessimist. Maar als je puur kijkt naar de redenen die mensen zelf geven blijkt telkens weer dat tevredenheid op het werk samenhangt met sociale zaken. Of je op je werk steun en waardering krijgt. Ook feedback van je leidinggevende is belangrijk, zodat je de kans krijgt te leren en te blijven ontwikkelen. De mate van vrijheid om te beslissen over je eigen werk is ook een grote factor van belang.

En of je vindt dat je baan betekenis heeft. Dat je iets bijdraagt door dat werk te doen. Schaufeli: „Het is lastig te bepalen welke factor nou het belangrijkst is, dat verschilt per persoon en baan. Maar een hoog salaris staat zeker niet bovenaan.” Wél als het salaris niet in proportie is met het werk. „Daarom telt salaris voor hogeropgeleiden minder mee dan voor laagopgeleiden.”

Toch is voor Mark het salaris nou nét wel van belang. Het liefst zou hij iets in de non-profitsector gaan doen. „Volgens mijn vrouw moet ik ervoor gaan. Maar we hebben een hypotheek en kinderen. Ik krijg nooit hetzelfde salaris terug. Ik wéét rationeel wel dat ik met minder salaris overweg kan, maar voelt niet zo. Ons leven is zo ingericht dat het geld wordt gebruikt.”

Daarbij is de waardering die hij op het werk krijgt ook lekker. „Ik weet nu: ik kan dit goed, ik word gewaardeerd. Het voelt prettig om in het bedrijf rond te lopen.” Toch zoekt hij thuis vacatures van andere banen. Stiekem. „Ik let er goed op dat ik geen sporen achterlaat. Zo heb ik geen actief profiel op Monsterboard, want wat als mijn recruitmentafdeling me hier tegenkomt? Voor je het weet, staat zoiets in het dossier en lijk ik ondankbaar voor mijn baan.”

Daar had ook wetenschapper Laura Menenti het lastig mee. „Ze hadden hoge verwachtingen van me, ik had net een baan van vijf jaar geaccepteerd. Ik vond het moeilijk om ze te verlaten. En daarbij het idee: als je eenmaal de wetenschap uit bent, kom je er niet makkelijk meer in.”

Complex werk maakt het lastig

Er is lef voor nodig om een goedbetaalde baan op te zeggen. Helemaal als je er ook nog eens goed in bent, en je tegen de verwachtingspatronen van je omgeving ingaat. „Het is een idee dat je in een gouden kooi zit”, weet Schaufelli. „Onder tandartsen is daar ook onderzoek naar gedaan. Wat als die iets anders willen doen? Ze hebben eigenlijk maar twee manieren: nog verder specialiseren, of een hobby zoeken die ze opslokt.”

Maar voor de meeste mensen hoeft dat niet zo drastisch te verlopen. TNO-onderzoeker Luc Dorenbosch schreef een boek over ‘job crafting’. Dorenbosch: „Je moet je baan zien als iets waar je aan kunt sleutelen. Ontleed je werk, kijk waar het anders kan.” Zeker voor hogeropgeleiden moet dat makkelijk kunnen. „Ze hebben vaak complexe banen waar je niet maar één taak doet.” Dat is ook hun valkuil: juist daarom lopen ze weleens vast door een gebrek aan een samenhangend beeld van hun pakket aan taken en verantwoordelijkheden.

Dorenbosch: „Collega’s met precies dezelfde functie hebben vaak een heel ander beeld bij hun baan. Dat komt doordat ze geleidelijk hun baan zelf inrichten naar eigen smaak en kunnen. Totdat je mogelijk het doel van je werk uit het oog verliest.”

En lukt dat je niet goed om te bepalen, dan kan een loopbaancoach je helpen. Louise Boelens is arbeidspsycholoog en coacht mensen met vragen over hun loopbaan: „Je moet altijd terug naar de basis. Waarom ben je begonnen aan de baan. Probeer die motivatie helder te krijgen, je eigen drive weer te herkennen. Dan is je volgende stap om doelgericht dááraan te werken. Als mensen niet zo tevreden zijn, kunnen ze daarvan afraken en in een raar moeras terechtkomen waarin ze maar wat doen. Het helpt om te weten wat je taak is op je werk en je daarop te richten.”

Schaufelli: „Het komt vaak voor dat persoonlijke waarden van een persoon niet overeenkomen met die van het bedrijf. Mensen met een idealistische bevlogenheid gaan werken bij een bank. Heel raar natuurlijk, want andersom komt het veel minder voor: mensen met de pest aan het milieu zitten niet bij Greenpeace.”

En dan kan de bedrijfscultuur ook nog eens niet bij je passen. Dat ziet Boelens zeker bij de jonge generatie. „Zij zijn gewend snel informatie uit te wisselen,snel te denken en te communiceren met korte lijntjes. Dat botst met de hiërarchische structuur van een bedrijf.”

Overleg met je leidinggevende

Maar dan. Je bent er inderdaad achter dat de baan écht niet is wat je wilde. Hoe ga je verder?

Wetenschapper Laura Menenti: „Ik ben gaan zoeken naar vacatures. Een vacature voor beleidsonderzoeker naar seksueel geweld onder kinderen sprak me gelijk aan.” Dat vertelde ze gelijk aan haar leidinggevende. „Ik vond het niet eerlijk om hem voor een voldongen feit te plaatsen. Hij hielp me erover na te denken.” Ze reageerde en kreeg een week later de baan. „Ik ben er heel blij mee. „Technisch is het wat simpeler dan ik gewend was, maar ik heb het idee dat ik bijdraag aan iets.”

Praten met je leidinggevende is ook het advies van Boelens. „De kerntaak van de manager is het faciliteren van het werk op de afdeling. Je valt hem niet lastig.” Daarbij is het best slim om op goede voet te blijven staan met je werkgever. Mocht je tóch van baan wisselen, dan heb je een goede referentie nodig.

Ook Mark besprak voorzichtig zijn twijfels over de baan met zijn leidinggevende. „Ik vertrouw erop dat zij dat niet aan het hele bedrijf gaat vertellen. Ze kwam toen zelf aan met een vacature bij een ziekenhuis, precies wat me mooi leek. Maar ze had ook opgezocht wat ik daar ging verdienen, en dat was minder dan de helft.” En ja, dat bracht weer twijfel. „Ik weet niet of ik die keuze ooit ga maken. Wellicht ga ik er eerst wat zinvols bij doen.”