Natúúrlijk bespioneren de VS hun vrienden

Het zou niemand moeten verbazen dat overheden hun bondgenoten afluisteren. Het gedoe daarover is het niet altijd waard, stelt Ivo Daalder.

Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron. Foto AFP

Overal in Europa imiteren overheidsfunctionarissen om het hardst kapitein Renault in de film Casablanca, die zich „geschokt – geschokt!” verklaarde toen hij hoorde dat er werd gegokt. Waarbij de Europese leiders zich dan niet geschokt betonen over gokpraktijken, maar over de onthulling dat landen – en zelfs bondgenoten – elkaar bespioneren.

De verbazing komt misschien deels doordat de beschuldigingen dat de Amerikanen de mobiele telefoons van hoge functionarissen afluisteren op hetzelfde moment – en kennelijk uit dezelfde bron – komen als de eerdere onthullingen over grootscheepse dataverzameling en surveillance door de National Security Agency, als onderdeel van de Amerikaanse inspanningen inzake terrorismebestrijding. Verondersteld mag immers worden dat het geen anti-terroristische waarde heeft om de gesprekken van bevriende leiders af te luisteren.

Tegelijkertijd rijzen er legitieme vragen over het effect op de privacy als Amerikaanse inlichtingendiensten uitvoerige gegevens over de communicatie in andere landen verzamelen. Zelf genieten de Amerikanen juridische en grondwettelijke bescherming tegen inbreuken op hun privacy, maar dit geldt niet voor anderen – zelfs niet voor bondgenoten en vrienden van de VS.

Maar deze twee vraagstukken mogen niet door elkaar worden gehaald. Overheden verzamelen aan de lopende band informatie over de activiteiten en denkbeelden van andere overheden – ja, zelfs van bondgenoten en vrienden. Het is de taak van diplomaten om hun eigen hoofdsteden te helpen begrijpen wat er in de landen waar ze gestationeerd zijn gebeurt – en waarom. Militaire attachés in het buitenland hebben de taak erachter te komen wat er met de strijdkrachten en hun materieel gebeurt. En in het buitenland gestationeerde medewerkers van inlichtingendiensten vergaren inlichtingen in en over hun gastlanden.

Natuurlijk werken diplomaten, attachés en spionnen in tal van zaken ook samen met hun collega’s in bevriende landen. In het geval van inlichtingenmedewerkers strekt dit zich uit tot gedeelde informatie over terreurdreigingen en andere gevaren – waaronder ook informatie die kan zijn verkregen dankzij activiteiten in het gastland.

Ook zijn zij druk in de weer om erachter te komen wat er gebeurt in de landen waar zij gestationeerd zijn: wat hoge functionarissen vinden van essentiële, actuele kwesties, welke druk er binnen hun samenleving bestaat die mogelijk van invloed is op het beleid inzake deze kwesties en – inderdaad – welk standpunt zij misschien zullen innemen in onderhandelingen waar beide landen bij betrokken zijn.

Als Amerikaans ambassadeur bij de NAVO besteedde ik de afgelopen vier jaar zeeën van tijd aan gesprekken met mijn collega’s in een poging de standpunten en meningsverschillen – ook tussen bevriende landen – over tal van kritieke kwesties te achterhalen: van de troepentoezeggingen voor Afghanistan tot de vraag of onze bondgenoten voorstander van een militaire operatie in Libië waren. In geheime berichten aan Washington meldden wij wat we te weten kwamen, zodat de VS een beleid konden formuleren dat onze belangen diende en een goede kans had door het bondgenootschap als geheel te worden ondersteund. En ik was hierin niet de enige. Iedere ambassadeur en diplomaat houdt zich bezig met informatievergaring.

Dit zou de Europese leiders allemaal niet mogen verbazen. De enige vraag is of spionage met alle mogelijke beschikbare middelen onderdeel van deze informatievergaring dient te zijn. En zo ja, of dit zich ook tot spionage op het hoogste regeringsniveau dient uit te strekken.

Ik wil op geen enkele manier beweren dat er onder onze bondgenoten spionage heeft plaatsgevonden, of op dit moment plaatsvindt, maar zou iemand zich nu echt mogen verbazen als dit wel zo was? De omschrijving van een spion is nu eenmaal ‘iemand die in het geheim informatie over een land probeert te krijgen’. En zoals president Obama zei toen de eerste beschuldigingen rezen: „Ik kan u verzekeren dat er in de Europese hoofdsteden mensen zijn die misschien niet willen weten wat ik als ontbijt heb gegeten, maar toch in elk geval wel wat mijn gesprekspunten zouden zijn als ik toevallig een bijeenkomst met hun leiders zou hebben.”

De vraag is dan ook niet of overheden informatie over elkaar verzamelen of mogen verzamelen; dat doen ze en dat mogen ze. En dat doen en mogen ze evenzeer over bevriende landen als over landen die dat niet zijn. De vraag is of het doeltreffendste middel daartoe is om de telefoons van leiders af te luisteren – en of de prijs van de publieke onthulling opweegt tegen het voordeel om deze informatie te verkrijgen. Gelet op de publieke ophef van de afgelopen dagen is er goede reden om te betwijfelen of de voordelen de prijs wel waard zijn.

Meer in het algemeen zouden we mogen hopen en verwachten dat voorafgaand aan het besluit om tot dit soort geheime informatievergaring over te gaan, altijd zo’n kosten-batenanalyse wordt gemaakt. Het is uiteraard een politieke beslissing of en wanneer dit wordt gedaan, niet iets wat aan inlichtingendiensten en hun medewerkers kan en mag worden overgelaten. Het is daarom aan onze politieke leiders om processen te waarborgen waardoor zij altijd vooraf beslissen of een dergelijke activiteit wordt toegestaan.

Dat we bepaalde dingen kúnnen, wil niet zeggen dat we ze altijd moeten doen.