Jagende man, bakkende vrouw. Weg met die clichés

Mannen gloreren in de vrije natuur, terwijl die voor vrouwen gevaarlijk zou zijn. Onzin!, zegt Francisca Wals. Het idee is laf en dom.

Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron. Foto AFP

Het was hartje zomer, maar wij ploegden door de sneeuw. Alle vier hadden we een dikke rugzak, op weg naar drieduizend meter hoogte. Het kruis dat de top van de berg markeerde, leek wel een fata morgana. En met anderhalve kilometer verticale stijging op één dag lag de hoogteziekte op de loer.

Met drie vriendinnen trok ik in de zomer van 2012 door de Italiaanse Dolomieten. Tentjes op de rug, blikken linzen, vacuüm verpakte pinda’s en een enkele groene paprika. We sliepen in de wilde natuur of in een oude, stenen hut op een bergtop. We stookten fikkies, wasten ons in beken en luisterden ’s nachts naar de oorverdovende stilte.

En nu lees ik in de Volkskrant dat we een mannenvakantie hebben gehouden. Man op aarde is de titel van een groot stuk in het reiskatern van de weekendkrant. Het gaat over vier mannen die in de bergen weer teruggaan naar hun oerkern. Vijf dagen, ‘geen vrouwen, geen smartphones, geen onzin’. Het staat er echt. Mét huisarts en psycholoog, dat dan weer wel.

Op de foto zien we een sterke meneer zich opdrukken op een rots. De mannen hakken hout, maken vuur, doen verder precies hetzelfde als wat mijn vriendinnen en ik deden. Maar o, wat zijn zij mannelijk. Wat vallen ze samen met hun natuur.

Bessen plukken

Jammer toch dat ‘de natuur’ een vrijheid inperkende bijsmaak heeft in combinatie met het woord ‘vrouw’. Waar mannen in de natuur vrijheid vinden, vinden vrouwen beperking. Ze zijn nu eenmaal ‘van nature’ niet zo ambitieus. Niet zo competitief. In de hersens te zien, heus waar!

Volgens diezelfde natuur zouden mijn vriendinnen en ik een heel ander soort vakantie moeten vieren. ‘Van nature’ zijn vrouwen namelijk niet zulke avonturiers. Mannen, die joegen, vroeger. Daarom zijn het geen praters. Wij zijn voorgeprogrammeerd op het verzorgen van kinderen, op het behoud van harmonie. En op het plukken van bessen – daarom houden wij ook zo van roze.

De natuur is een stoplap voor zo’n beetje alles waarover vóór het vallen van dit woord gediscussieerd kan worden. Wilde dieren afschieten omdat ze de Hollandse heide plattrappen? Niet doen – wild, leven, natuur! Brood, zuivel en e-nummers consumeren? Ho – dat deed men in de prehistorie niet. Het oerdieet, véél natuurlijker. Meisjes met poppen en jongens met auto’s in speelgoedgidsjes? – biologische voorkeuren volgens hersenwetenschappers.

Die obsessie met de natuur is niet nieuw. De Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau bepleitte in zijn opvoedboek Emile dat kinderen te midden van de natuur moesten opgroeien, weg van de bedorven samenleving. Het is 1762 en het jongetje Emile heeft een eigen moestuintje. De moderne stadsmens ook. Lekker puur.

De negentiende-eeuwse romantici dweepten, met Rousseau onder de arm, nog even door met de natuur. Met emotie, verbeelding, mystiek en een afkeer van de rationaliteit als adagia vond men heil in de natuurlijke wildernis. Anno 2013 staat het eerdergenoemde groepje mannen bij een sjamanistisch ritueel in de alpine wildernis te zweten en te huilen. ‘Je grenzen opzoeken’, heet het dan.

De tweede sekse

„Ik word er zó boos van”, zegt een vriendin. De avond ervoor had ze met wat mensen van haar koor gediscussieerd. Of vrouwen wel of niet minder moeten gaan werken als ze kinderen krijgen, daar ging het over. „Staat er zo’n meisje bij, vet succesvolle baan, beweert ze dat ze zo zou stoppen met werken.” Dat ze dat zonde vindt, had m’n vriendin gezegd. En gek bovendien, de vanzelfsprekendheid waarmee de vrouw haar carrière wegvaagt. Ook nu. Ook in Amsterdam. Ook onder hogeropgeleiden. „Het ergste was nog dat er een jongen bij kwam staan. ‘Dat is toch de natúúr’, zei hij. Ik wist niet meer wat ik moest zeggen.”

Het is laf en dom, dat woekerende biologisch reductionisme waar we vandaag de dag zo happig op zijn. Dat is ook het vonnis van Simone de Beauvoir, de grande dame van het ochtendgloren van de Tweede Feministische Golf. Natuurlijk zijn er verschillen tussen mannen en vrouwen, stelt zij in haar magnum opus De tweede sekse uit 1949. Het gaat erom hoe we met die biologische feiten omgaan, welke waarde we eraan toekennen in onze cultuur.

De vrouw was van meet af aan opgesloten in haar lichaam, constateert De Beauvoir. Doordat ze moest baren, bleef ze ‘natuur’. De man annexeerde intussen de wereld, trotseerde gevaar, steeg boven het hier en nu uit. In ruil voor haar vrijheid ontving de vrouw de ‘valse schatten van de vrouwelijkheid’, schreef De Beauvoir. Onverantwoordelijkheid. En die is verleidelijk, want makkelijk. De vrouw hoeft zo haar eigen waarden niet te kiezen: ze spiegelt zich aan de waarden van de man, die ze vanaf haar jongste jeugd stevig ingeprent krijgt. ‘Je wordt niet als vrouw geboren, je wordt als vrouw gemaakt.’

Rollen, patronen en rolpatronen – ze zijn maakbaar. Niks geen onveranderlijke biologische gegevenheden, maar door culturele en maatschappelijke krachten gefabriceerde identiteiten en verhoudingen, wilde De Beauvoir maar zeggen.

Vierenzestig jaar later trekken we met onverminderde gretigheid de ‘dat-is-de-natuur’-argumenten uit de kast. Lekker makkelijk. Zo worden overzichtelijke genderhokjes gelegitimeerd en hoeven we ons niet schuldig te voelen over de maatschappelijke verhoudingen die wij zelf gecreëerd hebben. Natura culpa, niks aan te doen.

Maar de legitimiteit van ‘uit-de- natuur’-argumenten verkruimelt als we kijken naar de selectiviteit waarmee ze worden toegepast. Het recht van de sterkste, ook heel natuurlijk. Maar geven we onze democratie ervoor op? Ons gelijk dwingen we niet langer af met knotsen en bijlen, gehandicapte kinderen werpen we niet meer van de rotsen. Millennia van civilisatie hebben een dikke laag ‘tweede natuur’ aangebracht. Sociale instituties en culturele praktijken bepalen ons doen en laten ten minste even sterk als onze natuur.

Meer dan een diersoort

Begin oktober: Asha ten Broeke zit aan tafel bij Pauw & Witteman. Ze mag over haar aversie tegen stereotypen praten, als reactie op de Bart Smit-heisa. Ook aan tafel: Dick Swaab, nog een paar mannen, Leon de Winter en Jessica Durlacher.

Ten Broeke wordt uitgelachen. Stereotypen, hoe komt ze erbij. Die zijn er niet meer en áls ze er al zijn, zijn het blauwdrukken uit de natuur. Tevergeefs gooit Ten Broeke haar met auto’s spelende dochter in de strijd. „Dan is jouw dochter atypisch”, grapt Jeroen Pauw. Hoongelach. De discussie verzandt in een getouwtrek tussen ‘wel’ of ‘niet’ aangeboren voorkeuren voor auto’s of stofzuigen.

Ik zou ze graag een boek van Simone de Beauvoir onder hun neus duwen, die mannen. Want het gáát er niet om wat wel of niet biologisch bepaald is in de mens. ‘De mensheid is méér dan slechts een dierlijke soort’, stelde De Beauvoir. Het reduceren van de mens tot een door de natuur gedetermineerd lichaam is een vlucht uit de werkelijkheid.

De natuur als allesreiniger voor elke discussie, of nee, als bleekmiddel – laten we ermee ophouden. Stoere jagers en stofzuigende prinsessen: het zijn verstikkende mythes. Mannen, vrouwen, breek eruit. Laat je door Dick Swaab de les niet lezen. Geef dat leven zelf eens vorm. Cupcakes bakken of de bergen in: we bepalen zélf wel of dat bij ons past.

    • Francisca Wals. het Idee