Huygensprijs voor ‘adembenemende’ Lanoye

Genremenger Lanoye zet oprecht en onderhoudend zijn woede en engagement in voor zijn kunst.

Foto ANP

„Wie Lanoye leest, hoort stemmen”, zegt de jury van de Constantijn Huygens-prijs over zijn nieuwste laureaat. Vaak klinken die stemmen ferm boven de rest uit én vaak worden ze graag gehoord: de waardering voor Tom Lanoye (1958) lijkt alleen maar te groeien. Gisteravond werd bekend dat zijn oeuvre – dat romans en poëzie, maar ook vele toneelteksten en columns omvat – bekroond wordt met de jaarlijkse prijs, waaraan een bedrag van 10.000 euro verbonden is.

De Constantijn Huygens-prijs is de belangrijkste van de Jan Campert-prijzen, de literatuurprijzen van de gemeente Den Haag. Aan elk van de overige Campertprijzen is 5.000 euro verbonden.

„Ik voel me soms net een kleine, Andalusische vechtstier bij wie de woede door het hoofd raast”, zei Lanoye eens in een interview. Die woede, over de wereld om hem heen, vertaalde zich naar zijn werk. Boze tongen (2006), met de Gouden Uil bekroond, speelde zich nadrukkelijk af tegen het decor van een hedendaags Europa in moreel verval, en zijn onlangs verschenen Gelukkige slaven (2013) gaat over een in onmin geraakte zakenbankier.

Zijn engagement voerde Lanoye ook naar het publieke debat. Als columnist verkondigde hij felle, bloemrijke meningen en zijn Antwerpse stadsdichterschap was politiek invloedrijk, in de tijd van het rechts-populistische Vlaams Blok van Filip Dewinter. Dat confronteerde Lanoye met de grenzen van zijn kunstenaarschap: als lijstduwer voor de groene partij kreeg hij genoeg voorkeurstemmen, maar hij bedankte voor de raadszetel. Toen was hij weer veroordeeld tot een rol aan de zijlijn. „Het is blijkbaar wat een schrijver nu eenmaal rest”, zei hij daarover later in Vrij Nederland. „Dat is mij op voorhand van vele kanten voorspeld, maar ik heb het er nog altijd moeilijk mee.”

Toch heeft Lanoye zich nooit beperkt tot het geschrevene: als literatuurstudent in Gent wist hij al dat hij wilde schrijven én optreden. Het theater was zijn thuis, niet alleen als schrijver, maar ook op de planken. Dat kwam tot een hoogtepunt in zijn solovoorstelling Sprakeloos (2009), een combinatie van spel en voordracht, naar zijn geprezen autobiografische roman over zijn moeder.

Het was een voorbeeld van hoe de genremenger Lanoye, tegelijk oprecht en onderhoudend, het persoonlijke weet in te zetten voor zijn kunst. De constante in zijn werk is hij, het ‘merk’ Lanoye. Dus bestaat er ook al geruime tijd de ‘naamloze vennootschap Lanoye’, naar voorbeeld van de Factory van Andy Warhol. Maar, aldus de grootaandeelhouder, „tegelijkertijd is het een parodie”. Die dubbele bodem zit ook in zijn literaire werk, dat geworteld is in de Vlaamse klei en daar tegelijk theatraal uit wegvlucht. Zijn prozadebuut Een slagerszoon met brilletje (1988) bevatte al verhalen die evenzeer autobiografisch als grotesk aandoen. Met zijn uitvergrotingen en slapstick is Lanoye tegelijk beladen en cabaretesk, evenveel literator als performer. Daarbij past zijn uitbundige stijl, die vele registers omspant. Lanoyes taal „kolkt en stroomt”, aldus de Constantijn Huygens-jury, en heeft „een adembenemend oeuvre” opgeleverd.

Onlangs speelde Toneelgroep Amsterdam de voorstelling De Russen! (2011) in Moskou. De avond eindigde met een politiek statement van de acteurs. De auteur van die tekst: Lanoye, uiteraard.

    • Thomas de Veen