Docufictie over liefde van vrouw met een beperking

Dat de Canadese debuutfilm Gabrielle afgelopen zomer de publieksprijs won op het filmfestival van Locarno is niet verwonderlijk. De film mikt op het gemoed. We volgen twintiger Gabrielle, zowel in de film als in het echt een jonge vrouw met williamssyndroom, een ontwikkelingsstoornis met een verstandelijke achterstand tot gevolg, maar vooral gekenmerkt door een elfachtig uiterlijk en praatgrage vrolijkheid. Gabrielle kan mooi zingen, wordt verliefd op een lid van haar koor, en wordt daar door haar zus in gesteund en door de moeder van de jongen gedwarsboomd.

Behalve deze vrouw voor wie het hebben van een gehandicapt kind met veel schaamte gepaard gaat, is iedereen in de film begripvol en lief. De film is respectvol gemaakt, maar kan bij individuele toeschouwers alsnog een ongemakkelijk voyeuristisch gevoel teweegbrengen, omdat de dilemma’s rondom autonomie en seksualiteit voorspelbaar zijn en het scenario simpel. Regisseur Louise Archambault benadert het delicate onderwerp met redelijk veel oog voor nuances, maar deed toch ook de nodige concessies om de film een feelgoodervaring voor de kijker te laten zijn.

Het geeft de beperkingen van het genre van de docufictie aan, waarin documentaire en fictieve elementen in één film gemixt worden. In dit geval willen we best in de integriteit van de vertelling geloven, maar de grote hoeveelheid idealisme en filantropie in de film is overduidelijk ook een scenario-ingreep die met iets te veel goede bedoelingen in de werkelijkheid is gepleegd.

Dana Linssen