Die spionage kan niet verbazen

Het is de taak van diplomaten en geheim agenten om zo veel mogelijk informatie over hun gastland te verzamelen. Maar regeringen moeten beseffen dat gedoe daarover het niet altijd waard is, aldus Ivo Daalder.

Illustratie Steve Sack

Overal in Europa imiteren overheidsfunctionarissen om het hardst kapitein Renault uit de film Casablanca, die zich ‘geschokt!’ verklaarde toen hij hoorde dat er werd gegokt. De Europese leiders zijn weliswaar niet geschokt vanwege gokpraktijken, maar wel over de onthulling dat bondgenoten elkaar bespioneren.

De beschuldiging komt voort uit eerdere onthullingen van grootscheepse dataverzameling en surveillance door de National Security Agency. Omstreden activiteiten, maar wel met het doel om terrorisme te bestrijden. Daar valt afluisteren van bevriende leiders toch niet onder, moeten diezelfde leiders gedacht hebben. Misschien verklaart dat hun geschoktheid.

Legitiem zijn vragen over privacy echter wel. Terwijl Amerikanen in eigen land juridische en grondwettelijke bescherming genieten tegen inbreuken op hun privacy, gaan hun inlichtingendiensten zich overzee te buiten aan uitvoerige gegevensverzameling. Zelfs bondgenoten en vrienden van de VS moeten eraan geloven.

Toch is het zaak dit van elkaar te scheiden. Overheden verzamelen aan de lopende band informatie over activiteiten en denkbeelden van andere overheden – ja, zelfs van bondgenoten en vrienden. Diplomaten zijn aangesteld om het begrip van het land waar zij gestationeerd zijn te vergroten: wat er daar gebeurt en waarom. Militaire attachés in het buitenland zien toe op de inzet van hun strijdkrachten en materieel. En buitenlands gestationeerde medewerkers van inlichtingendiensten vergaren inlichtingen in en over hun gastlanden. Dat is nu eenmaal praktijk.

Natuurlijk werken die diplomaten, attachés en spionnen in tal van zaken ook samen met hun collega’s in bevriende landen. In het geval van inlichtingenmedewerkers strekt dit zich uit tot gedeelde informatie over terreurdreigingen en andere gevaren – waaronder ook informatie die kan zijn verkregen dankzij activiteiten in het gastland.

Ook zijn zij druk in de weer om erachter te komen wat er gebeurt in de landen waar zij gestationeerd zijn: wat hoge functionarissen vinden van essentiële actuele kwesties, welke druk er binnen hun samenleving bestaat die mogelijk van invloed is op het beleid inzake deze kwesties en – inderdaad – welk standpunt zij misschien zullen innemen in onderhandelingen waar beide landen bij betrokken zijn.

Als Amerikaans ambassadeur bij de NAVO besteedde ik de afgelopen vier jaar zeeën van tijd aan gesprekken met mijn collega’s in een poging de standpunten en meningsverschillen – ook tussen bevriende landen – over tal van kritieke kwesties te achterhalen: van de troepentoezeggingen voor Afghanistan tot de vraag of onze bondgenoten voorstander van een militaire operatie in Libië waren.

In geheime berichten aan Washington meldden wij wat we te weten kwamen, zodat de VS een beleid kon formuleren dat onze belangen diende en een goede kans had door het bondgenootschap als geheel te worden ondersteund. En ik was hierin niet de enige. Elke ambassadeur en diplomaat houdt zich bezig met informatievergaring.

Dit zou de Europese leiders allemaal niet mogen verbazen. De enige vraag is of spionage met alle mogelijke beschikbare middelen onderdeel van deze informatievergaring dient te zijn. En zo ja, of dit zich ook tot spionage op het hoogste regeringsniveau dient uit te strekken.

Ik wil op geen enkele manier beweren dat er onder onze bondgenoten spionage heeft plaatsgevonden, of op dit moment plaatsvindt, maar zou iemand zich nu echt mogen verbazen als dit wel zo was?

De omschrijving van een spion is nu eenmaal ‘iemand die in het geheim informatie over een land probeert te krijgen’. En zoals president Obama zei toen de eerste beschuldigingen rezen: „Ik kan u verzekeren dat er in de Europese steden mensen zijn die misschien niet willen weten wat ik als ontbijt heb gegeten, maar toch in elk geval wel wat mijn gesprekspunten zouden zijn als ik toevallig een bijeenkomst met hun leiders zou hebben.”

De vraag is dan ook niet of overheden informatie over elkaar verzamelen of mogen verzamelen; dat doen ze en dat mogen ze. En dat doen en mogen ze evenzeer over bevriende landen als over landen die dat niet zijn. De vraag is of het doeltreffendste middel daartoe is om telefoons van leiders af te luisteren – en of de prijs van onthulling opweegt tegen het voordeel. Gelet op de ophef van de afgelopen dagen is er goede reden tot twijfel hierover.

Overwegen regeringen hiertoe over te gaan, dan is zo’n kosten-batenanalyse geen overbodige luxe. Uiteindelijk is het een politieke beslissing: niet iets waarover enkel inlichtingendiensten beslissen. Je kunt dat soort politiek gevoelige beslissingen niet aan hen overlaten.

Misschien moeten we inzetten op protocollen die voorkomen dat diensten dingen doen die hun politieke leiders niet willen. De ophef noopt in ieder geval tot een systeem dat beslissingsmacht bij de politiek legt. Dat we bepaalde dingen kúnnen, wil niet zeggen dat we ze altijd moeten doen.

    • Ivo Daalder