Boete kan economisch herstel frustreren

De boete voor Rabo gaat ten koste van haar vermogen.

Daarmee tast zij indirect Rabo’s kredietverlening aan.

Niets aan de hand? Rabobank stelt in een reactie op de megaschikking van 774 miljoen euro dat die geen invloed heeft op de financiële stabiliteit van de bank. Dat kan zijn, maar zonder gevolgen voor de economie is het niet.

Vergeleken bij de omvang van Rabo valt het boetebedrag inderdaad op het eerste gezicht mee. In de eerste helft van dit jaar werd een winst gemaakt van 1.112 miljoen euro, anderhalf keer zoveel als de boete.

Het eigen vermogen bedraagt, in de meest nauwe definitie 28.433 miljoen en in de meest ruime definitie zelfs 40.658 miljoen. Het balanstotaal is 698 miljard euro – Rabo is in haar eentje iets groter dan de totale omvang van de Nederlandse economie. De totale binnen- en buitenlandse kredietportefeuille aan burgers en bedrijven is 454 miljard.

Grote bedragen, maar toch: die 774 miljoen blijft 774 miljoen. Ook al haalt de bank dat in met winst, ook al was er rekening mee gehouden en ook al bracht de verkoop van Robeco onlangs twee maal zoveel op: het blijft een bedrag dat zich laat voelen.

Dat heeft allereerst te maken met de relatieve kwetsbaarheid van Nederlandse banken. Omdat zij zo groot zijn vergeleken met de Nederlandse economie, kunnen zij zichzelf slechts voor een relatief klein deel financieren met geld van het publiek, met name spaardeposito’s. Dat geld is een goedkope en relatief stabiele manier van financieren.

Nederlandse banken zijn door hun omvang veel meer dan buitenlandse banken aangewezen op het aantrekken van geld op de financiële markten. Zulk geld is niet alleen duurder, het is ook minder zeker. Vermogensversterking is dan ook van groot belang: dat geeft vertrouwen aan de buitenwacht dat de bank niet zomaar omvalt.

Maar wat is nu het effect op de economie? Dat vloeit uit dat laatste voort. De boete slaat een deuk in het pad van vermogensversterking dat Rabobank voor ogen had. Op die manier kan de boete de gehoopte groei van de binnenlandse kredietverlening, die belangrijk is voor het economisch herstel in Nederland, wel degelijk frustreren. Want die groei van de kredietverlening is recent genaderd tot nul.

Banken hebben vanuit hun aard een enorme hefboom tussen hun eigen vermogen enerzijds en de kredietverlening die zij daarmee financieren. Denk daarbij aan een factor twintig.

Onder dat vergrootglas moet ook de boete van 774 miljoen, met een slag om de arm, worden bekeken: een effect van afgerond 16 miljard euro. En dan wordt het plots toch allemaal wat minder onbeduidend.

    • Maarten Schinkel