Al die culturen in de stad werken nu beter samen

Autochtonen en immigranten nemen elkaar heftig de maat maar werken goed samen, zien Gabriël van den Brink en Dick de Ruijter.

Het debat over onze nationale identiteit blijft ongemakkelijk. Dat merkte prinses Máxima aan de golf van verontwaardiging toen ze enkele jaren geleden opperde dat dé Nederlander niet bestaat. Dat merkten journalisten toen die vorig jaar schreven over jongeren die een grensrechter hadden doodgeschopt. Er ontstond debat over de vraag of hun Marokkaanse achtergrond een rol speelde. En dat merkten we vorige week opnieuw toen er in een mum van tijd 2 miljoen handtekeningen onder een petitie voor het behoud van Zwarte Piet kwamen te staan.

We komen niet veel verder dan het contrasteren van autochtoon en allochtoon, van meerderheid en minderheid, van zwart en wit. Maar als we kijken naar de de realiteit, dan spelen die scherpe tegenstellingen nauwelijks een rol. Veel Amsterdammers denken niet meer in termen van wij tegen zij. Culturele contrasten horen nu eenmaal bij de grote stad. Dan is er soms sprake van ruzie, overlast of ergernis. Je zegt dan gewoon waar het op staat. Maar dat is anders dan je negatief uitlaten over een hele groep of de contrasten nog eens aanscherpen.

Ten tweede stellen burgers zich de laatste jaren actiever op. Ze merken dat het spel van de culturele verschillen óók kansen biedt. Elke stedeling leert vroeg of laat dat het weinig zin heeft om jezelf als slachtoffer te zien. Je moet je eigen leven opbouwen want er is niemand die je helpt.

Ten derde zoeken stedelingen op buurtniveau naar nieuwe vormen van samenwerking. Er ontwikkelt zich nieuw burgerschap, gericht op onderlinge verbondenheid en wederzijdse hulp. Nu eens komt die hulp spontaan tot stand, dan weer wordt ze nadrukkelijk georganiseerd. We zien telkens dat sterke organisaties of bewoners hun zwakkere broeders meenemen.

Nu ligt de aanleiding voor dit soort burgerschap vaak in gebrekkig functionerende publieke instellingen. De mate waarin sociale diensten, woningcorporaties, jeugdzorg, onderwijsinstellingen of uitkeringsinstanties de aan hen toevertrouwde problemen oplossen, stelt teleur. Dat geldt ook voor de belangen van migranten. Bewoners weten heel goed dat de hulp van instellingen bureaucratisch is georganiseerd, vaak te laat komt en te wensen over laat.

Bij het Bureau Schuldhulpverlening wordt niet iedereen geholpen. Na een jaar val je uit het systeem. De door twee Hindoestaanse zussen opgerichte stichting Moi in de Indische buurt van Amsterdam helpt uitvallers die bijvoorbeeld geen goed Nederlands spreken. Ze proberen tijd te winnen bij de deurwaarder door te zeggen dat de spullen zijn geleend of ze schieten kosten uit eigen zak voor. En ze verzinnen karweitjes, zoals koken of folderen, voor vrouwen die van hun man niet buitenshuis mogen werken.

Deze ondernemende burgers wachten de politieke besluitvorming niet af, maar worden in een veel eerder stadium actief en ze trekken zich ook niet al te veel van de officiële procedures aan. Ze hebben geen beleidsnota nodig om te weten wie of wat er voor het probleem verantwoordelijk is en hoe je dat kunt aanpakken. Ze maken contact met gelijkgestemde geesten en gaan op korte termijn over tot initiatief.

Veel activiteiten in wijken blijven onder de radar van het plaatselijk bestuur. Dat is begrijpelijk omdat deze slecht binnen de regels van onze formele democratie passen.

Hoewel ons onderzoek tot Amsterdam beperkt bleef, passen de conclusies bij een bredere ontwikkeling. Nederland maakte de afgelopen decennia twee veranderingen door. Er voltrok zich een verharding van het maatschappelijk klimaat die op gespannen voet staat met ons zelfbeeld van een tolerante samenleving. We gingen steeds hogere eisen stellen aan onszelf, aan elkaar en aan het leven in het algemeen. Bovendien brachten we steeds minder tolerantie op voor mensen die zich afwijkend gedragen dan wel overlast veroorzaken. Migranten die klagen over de hardere bejegening hebben voor een deel gelijk. Ze hebben echter geen gelijk als ze denken dat dit speciaal op hen betrekking heeft omdat de verharding álle burgers treft.

De tweede verandering houdt in dat we veel ondernemender geworden zijn. Burgers jagen zowel in hun privéleven als in het publieke leven en in hun professionele leven nadrukkelijker idealen na. Ook is er vergeleken met enkele decennia terug meer aandacht voor marktwerking. Voor jezelf beginnen, kansen grijpen en financieel op eigen benen staan – dat vinden we inmiddels gewoon. Het is daarom niet vreemd dat de interesse voor zoiets als de doe-democratie de laatste jaren groeit. Gelukkig treedt deze tendens niet alleen onder autochtonen op. Ook onder migranten zien we steeds vaker burgers die hun handen uit de mouwen steken en zich ondernemend opstellen.

Deze veranderingen zijn in de hoofdstad extra merkbaar. Mede daarom denken wij dat de voor Amsterdam kenmerkende mix van mondigheid, ondernemingszin, anarchie, sociaal engagement, humor en ook wel brutaliteit een gunstige voedingsbodem is voor nieuw burgerschap dat op vele plaatsen tot ontplooiing komt. Voor een agenda van hoop en optimisme hoeft men niet per se naar Venlo te gaan. Dat intussen hartstochtelijk wordt gedebatteerd over Zwarte Piet verandert daar weinig aan.

Het onderzoek waar dit stuk over gaat, kwam gisteren uit in het boek Culturele Kansen; over ondernemende burgers in Amsterdam.

    • Gabriël van den Brink
    • Dick de Ruijter