Zelfs de baas is niet in dienst

De tijd van grote tijdschriftredacties is voorbij. Freelancers vullen de pagina’s van de bladen. Niet iedereen is blij met de opmars van de rompredactie. „De beste ideeën ontstaan toch door met een groepje bij elkaar te zitten.”

De hoofdredacteur zit voor de televisie. Laptop op de salontafel. Hapje erbij. Hij mailt met de art director. Zij is ook nog aan het werk, al is het half elf ’s avonds. Ze heeft jonge kinderen, die liggen nu in bed. Misschien nog iets meer inzoomen op die coverfoto? Morgen sturen ze hun tijdschrift naar de drukker, en zal de hoofdredacteur nog even langs de redactie gaan. Overlegje met de eindredacteur, de enige werknemer met een dienstverband, voor de laatste puntjes op de i.

Zo ongeveer gaat het bij Royalty, het tijdschrift van voor vorstenliefhebbers van uitgever Audax, vertelt Marc van der Linden. Hij is al twintig jaar „happy freelancer”, en sinds zeven jaar hoofdredacteur van een rompredactie.

Het fenomeen – een tijdschrift dat gemaakt wordt met slechts enkelen in vaste dienst, en een kring van freelancers – is niet nieuw. Maar er zijn wel steeds meer uitgevers die de minimaal bezette redactie als antwoord zien op de moeilijkheden in de tijdschriftensector. De magazine-uitgevers en ook journalistenvakbond NVJ houden geen cijfers bij over hoeveel bladen met een rompredactie werken.

Toch is de trend evident, zegt Yvonne Dankfort, secretaris van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ). Ze komt net terug van een bijeenkomst bij ANWB Media, waar 76 mensen ontslagen zijn en ook besloten is op rompredacties over te gaan. „Overal waar gereorganiseerd wordt, is de uitkomst dat tijdschriften met een rompredactie gaan werken. Dat betekent een minimale bezetting van de redactie, en soms ook hoofdredacteuren die voor meerdere titels verantwoordelijk zijn.” Iedere uitgever maakt die stap, de een wat sneller dan de ander.

Nieuwe Revu (Sanoma) ging onder druk van de krimpende oplage in tien jaar tijd van 25 voltijdsbanen naar zeven. Uitgever Hearst ontsloeg onlangs vijftien vaste krachten van de 130 en laat de titels meer samenwerken. Zo worden Elle Eten en Elle Decoration gemaakt door één hoofdredacteur en een kring freelancers. En bij HP/de Tijd (Audax) werkten in oktober vorig jaar nog elf man. Daarvan zijn er nu nog twee over. Het streven van de uitgever is om niemand meer in vaste dienst te hebben.

Hoe behouden die bladen het in de tijdschriftenwereld zo belangrijke ‘dna’ van hun titel, met maar enkele mensen? Yvonne Dankfort van de NVJ is kritisch: „Het is voor een rompredactie moeilijker eigenheid te bewaren met behoud van kwaliteit.”

Niet alle hoofdredacteuren zijn dat met haar eens. Matthieu Slee werkt sinds zes jaar in Hoofddorp als hoofdredacteur van Sanoma’s roddelblad Story. Hij laat de redactie zien: een grote ruimte met relatief weinig stoelen, in een hoek van het gebouw waar ook Panorama en Nieuwe Revu worden uitgegeven. Toen hij begon bij het blad waren er twaalf redacteuren in vaste dienst. Nu zijn er vijf banen over, inclusief hijzelf. Hij vindt het ‘heerlijk’. „We hebben een gevoel van ‘alle hens aan dek’. Het ziekteverzuim is enorm laag, omdat iedereen weet dat de anderen een probleem hebben als je niet komt.”

De identiteit van een tijdschrift zit voor hem niet in brainstorms op de hei met een grote redactie, waarbij alle neuzen dezelfde kant op worden gezet. Slee, ‘toch al niet zo’n vergadertijger’, houdt nooit bijeenkomsten over de koers. Wel belt hij dagelijks met de vaste pool freelancers die voor hem de feesten en partijen van BN’ers aflopen. „Ik weet precies wat wel en niet bij ons past. En omdat ik niet hoef te overleggen met een eigen redactie heb ik meer tijd om te sturen.”

Net als bij de roddelbladen is het bij de royaltytijdschriften vooral van belang dat de schrijvers een groot netwerk hebben. Daarvoor hoef je niet in dienst. Op een grote redactie zitten journalisten elkaar regelmatig in de weg, denkt Van der Linden van Royalty – een blad waarvan de oplage in dit kroningsjaar juist steeg. „Redacties zijn vaak kleine koninkrijkjes. Dat de een niet wil dat de ander op zijn terrein komt.” Hij vindt freelancers doorgaans inventievere journalisten. „Ze moeten wel, want ze willen hun salaris bij elkaar schrijven.”

Wel is het belangrijk dat de rompredactie een basis aan ondersteuning houdt. Een kantoorgebouw, een receptie, een marketingafdeling, een postkamer. „Een serieus blad kun je niet alleen op een zolderkamer in elkaar zetten.”

Een rompredactie kan een tijdschrift helpen om kosten te drukken, maar dan moet er wel voldoende geld zijn voor een uitgebreide ring van freelancers. Slee van Story: „Ik kan mijn freelancers goed betalen omdat ik weinig vaste lasten heb.”

Als een uitgever pas overschakelt op een rompredactie omdat het geld sowieso op is, is het te laat. Daan Dijksman vertrok na maar twee maanden hoofdredacteurschap bij HP/De Tijd. Dat was niet omdat de redactie zo minimaal was geworden, „al werd het wel erg armoedig”. Wel had hij moeite met het feit dat er ook voor de freelancers nauwelijks budget meer over was. Onderzoeksjournalistiek bedrijven met een rompredactie ligt niet voor de hand. En ook voor parlementaire journalistiek heb je eigenlijk redacteuren in vaste dienst nodig, denkt hij. „Die moeten investeren in hun netwerk, rond kunnen lopen in Den Haag zonder dat het direct tot een verhaal hoeft te leiden.”

Opiniebladen Vrij Nederland en Elsevier hebben nog een relatief grote redactie. Maar ook zij verliezen in een rap tempo lezers. Van der Linden vreest voor de onderzoeksjournalist: „Die ene redacteur die eenmaal per maand een artikel aanlevert waarvan de wereld stilstaat, die moet natuurlijk in vaste dienst kunnen blijven. Voor een freelancer is de tijdsinvestering te groot.”

Dankfort van de NVJ vindt niet dat de kwaliteit van titels die het met een rompstaf moeten doen achteruit is gegaan. „Maar innovatie, die in deze moeilijke tijd juist extra belangrijk is, wordt moeilijker. De beste ideeën ontstaan toch door met een groepje bij elkaar te zitten en te denken over het merk.” Die tijd is voorbij, denkt Dijksman. Freelancers vinden het niet prettig om ideeën te spuien in elkaars aanwezigheid. Toch zou hij ook niet terug willen naar de grote redactie van de Haagse Post waar hij werkte in de jaren zeventig. „Toen zaten we wel erg veel in het café te roepen wat er allemaal niet deugde. Nu zouden we gewoon aan het werk gaan.”

    • Janna Laeven