Van stortbelasting wordt Nederland zeker niet groener

Illustratie Arcadio Esquivel

Afvalverwerking

Bodemverontreiniging en asbest zijn twee serieuze dossiers met grote gezondheids- en milieurisico’s. Het is een enorme opgave om onze bodem schoon te krijgen en het gevaarlijke asbest verantwoord te verwijderen. In dat licht is het besluit om een stortbelasting op te nemen in het Herfstakkoord onbegrijpelijk. Op de Nederlandse stortplaatsen belandt alleen afval dat niet-herbruikbaar en niet-brandbaar is. Storten van deze afvalstoffen is de enige optie. Desondanks betalen bedrijven die moeten storten volgend jaar een extra heffing van 51 euro per ton. De maatregel moet de staatskas spekken en ons land vergroenen, zo stelt het Herfstakkoord. Van vergroening zal echter geen sprake zijn: de hoge stortbelasting brengt de huidige asbest- en bodemsanering in gevaar. Nederlandse grondreinigers maken verontreinigde grond weer geschikt voor hergebruik. Dat doen ze met biologische, extractieve en thermische installaties. Daarbij komt onherroepelijk een reststroom vrij, die niet kan worden gerecycled of verbrand. En dus moet worden gestort. Zo wordt bij extractieve reiniging grofweg tachtig procent van de verontreinigde grond na reiniging hergebruikt, twintig procent gaat naar de stort. De hoge stortkosten zullen het schoonmaken van onze Nederlandse bodem frustreren. De export van verontreinigde grond zal toenemen, waardoor de Nederlandse recyclingmarkt in de knel komt. Werkgelegenheid en economische activiteiten staan op het spel. In Nederland wachten zo’n 250 duizend locaties op sanering. Daarvan zijn er 1.400 dermate verontreinigd dat ze de stempel ‘spoed’ hebben. Bij 360 locaties treden zelfs onaanvaardbare risico’s op voor mensen. Voor asbest geldt hetzelfde. Omdat asbest niet recycle- en brandbaar is, wordt het zodanig gestort dat het voor iedereen veilig is. Zo stijgt door een stortbelasting het verwerkingstarief. Hogere kosten werken illegaliteit in de hand. Er gaat veel mis in de asbestbranche. Onderzoeksbureau Bartels becijferde bijvoorbeeld dat bij vijftig tot tachtig procent van de sloopprojecten een vergunning ontbreekt en het asbest niet volgens de regels wordt verwijderd. Tegelijkertijd stelt de Gezondheidsraad dat asbest nog gevaarlijker is dan gedacht, en noopt de economische crisis gemeenten en aannemers tot het reduceren van kosten. De politiek zou de asbest- en bodemsanering juist financieel aantrekkelijker moeten maken, in plaats van duurder. En dit zijn nog maar twee voorbeelden van verwerking die door deze maatregel in gevaar komen.

Pieter Hofstra