Schrik niet van de vrijheid van de schrijver

Over de kwestie Peter Koelewijn-A.F.Th. van der Heijden kunnen we kort zijn. De schrijver heeft gelijk, de klager vergist zich. Wat Koelewijn las in de roman De Helleveeg staat er niet. In dat boek wordt verwezen naar een enge vrouw die in Eindhoven illegale abortussen uitvoert „boven de viswinkel van Koelewijn”, een gezin met een zoon die scoorde met „een Nederlandse rock-’n-roll hit” met de titel Kom van dat dak af. Koelewijns ouders dreven inderdaad een viswinkel in Eindhoven. En die hit – die had hij. Tot zover herkende hij zichzelf en zijn familie met recht. Maar de suggestie dat Koelewijns moeder deed in abortussen is er niet, dus die kan Van der Heijden onmogelijk rectificeren.

Wel beschreef Van der Heijden Koelewijns ouderlijk huis op een akelige manier en diens moeder erbij. Dat mag Van der Heijden, maar dat Koelewijn onaangenaam getroffen was, is begrijpelijk.

Van der Heijden schreef een uitvoerig verweerschrift waarin hij de vrijheid van de schrijver nog eens uitlegt. Hij vergelijkt zijn geval met de processen die gevoerd zijn tegen W.F. Hermans die ‘het katholiek volksdeel’ zou hebben beledigd in Ik heb altijd gelijk en tegen Gerard (toen nog ‘van het’) Reve vanwege vermeende godslastering in Nader tot U. Die vergelijking is scheef. Een schrijver die verwijst naar het anonieme, katholieke volksdeel, of de even anonieme God, doet iets anders dan de schrijver die een bestaande familie in zijn roman inlijft.

Van der Heijden deed zijn voordeel met Koelewijns beroemde naam en zijn nog beroemdere tophit. Hij doet niets bijzonders, veel schrijvers gaan zo te werk. Maar het is wereldvreemd om zo uitdrukkelijk versteld te staan van een gebrek aan „incasseringsvermogen” van Koelewijn die, via zijn song, zichzelf en zijn familie ineens tot personages gebombardeerd ziet.

De vrijheid van de schrijver, en van iedere kunstenaar, weegt zwaar want hij bepaalt de kern van de kunst. Alleen zo kan kunst doen wat ze het beste doet: de geesten scherpen, het denken vooruit helpen door taboes te doorbreken.

Schrijvers moeten niet de vermoorde onschuld uithangen: het is maar een roman, maak je niet druk – dat is een slappe smoes. Hun vrijheid kan de onvrijheid van het anonieme individu betekenen en dat schept verantwoordelijkheden. Het mag niet uitmonden in de makkelijke observatie dat zo’n individu gewoon pech heeft gehad. Grijpt een schrijver de vrijheid aan om iemand herkenbaar op te voeren en bij naam te noemen, dan mag de lezer literaire eisen stellen en vraagtekens zetten. En wie schrikt omdat hij zijn naam en identiteit gebruikt ziet, hoort niet te worden weggezet als onbenul.