Op naar 6 procent inflatie! Of toch niet?

Moet de inflatie omhoog? In de categorie ‘ongebruikelijke ideeën voor het oplossen van de crisis’ doet dit plan de laatste tijd opgeld. The New York Times had er onlangs een groot artikel over, waarin de bekende econoom Ken Rogoff pleit voor een periode van hogere inflatie om de vaart terug te krijgen in de economie. Zes procent, daar schrikt Rogoff niet van. De voordelen lijken legio: het afbetalen van schulden wordt makkelijker. Bij een inflatie van 1,5 procent, nu gemeengoed in de westerse landen, gaat dat beduidend langzamer dan als de geldontwaarding het viervoudige bedraagt. Ander voordeel: er komt meer flexibiliteit in de loonvorming. Een reële loondaling, waarbij lonen wel stijgen maar minder dan de inflatie, is makkelijker te bewerkstelligen als die inflatie hoog is. Is zij laag, dan kom je al snel uit op een absolute loondaling. En die is onverkoopbaar. Met een hoge inflatie verklein je de kans dat inflatie tijdelijk omslaat in deflatie, hetgeen uitermate schadelijke wordt geacht voor de economie.

Tot zover de Amerikaanse discussie. Ook in Europa is een relatief hoge inflatie al geopperd als uitweg uit de eurocrisis. Eurolanden zouden bijvoorbeeld oplopende onderlinge concurrentieverschillen, die niet langer op te lossen zijn met de- en revaluaties van hun munt, kunnen gladstrijken door grotere verschillen in inflatie dan nu mogelijk zijn. En dan is er nog het monetaire beleid. Hogere inflatie betekent ook een hogere nominale rente bij de centrale banken. Dat betekent dat zij in tijden van recessie of crisis verder naar beneden kunnen zonder de nul procent te raken. Het is deze natuurlijke ondergrens, de zero lower bound, die de afgelopen jaren al het geëxperimenteer met uitzonderlijke geldbeleid noodzakelijk maakte. Charles Evans, de president van de centrale bank van Chicago, stelde dit een paar weken geleden in Washington al voor.

Zo zijn er tal van beweerde voordelen. Maar, slechts om te beginnen twee vragen: hoe kom je er terecht, en hoe kom je er weer vanaf? Het gecontroleerd bewerkstelligen van hoge inflatie vergt een soort van monetaire toverkunst. De Amerikaanse centrale bankier Paul Volcker werd vermaard omdat hij vanaf 1979 met een draconisch beleid de hoge inflatie uit de Amerikaanse economie perste. Voor het nu voorgestelde beleid is er een soort van anti-Volcker nodig. Hoe zorg je ervoor dat je het beest, eenmaal uit het hok, er weer in krijgt? Daar is weinig ervaring mee. Een opwaartse spiraal is zo gemaakt, maar lastig te beteugelen. Het oplopen van de inflatie zou bovendien enorme verliezen teweegbrengen op de internationale obligatiemarkten (oneindig veel belangrijker dan de aandelenmarkten, trouwens) omdat de waarde van schuld er door wordt uitgehold. En zou het beteugelen en terugdringen van de hogere inflatie, als die niet meer nodig is of toch ongewenst blijkt, niet een dijk van een crisis veroorzaken?

Terwijl we over het oppervlak van deze kwestie blijven scheren, is er nóg een hypothetische kwestie. Hoe groot is de kans dat het Westen dit nieuwe beleid eenduidig doorvoert? Antwoord: nul. Wellicht dat in de VS het intellectuele tij rond dit onderwerp nog keert. Maar dat de eurozone – lees Duitsland – er ooit toe zal overgaan is hoogst onwaarschijnlijk. Stel dat de VS het, heimelijk of openlijk, nu wél gaan doen en Europa niet? Welkom in een wereld van enorme wisselkoersfluctuaties, onvoorspelbare kapitaalstromen over de oceaan en totaal verwarde financiële markten. Het is al weer een tijdje geleden, maar dit type van verschil van inzicht over het te voeren monetaire beleid tussen de VS en Duitsland was een van de belangrijkste oorzaken van de beurskrach van 1987. Met financiële markten die onvergelijkbaar groter en complexer zijn dan toen, is het gevaarlijk experimenteren.

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.