Koeling door bos remt de opmars van warmteminnende planten

In een dicht loofbos is het wel vier graden koeler dan in open bos

Bosanemonen in loofbos van het Utrechtse landgoed Amelisweerd. Foto ANP

Geruststellend nieuws uit de plantenwereld. De effecten van klimaatverandering op de biodiversiteit blijken lokaal te worden gedempt en vertraagd. Bovendien neemt in ongerepte natuur het aantal plantensoorten niet af – ongeacht het soortverlies door habitatverwoesting elders op de wereld.

Dat blijkt uit twee studies die deze week worden gepubliceerd in de Proceedings of the National Academy of Sciences. De eerste studie richt zich op de samenstelling van de ondergroei van loofbossen in Europa en Noord-Amerika, dus van gematigde breedte. Het betreft planten van minder dan één meter hoog. Centraal stond de vraag of in die ondergroei door de opwarming óók steeds meer warmteminnende plantensoorten binnendringen, zoals buiten het bos het geval is. Het fenomeen zou gedempt kunnen worden door het typische microklimaat van bossen: ze blijven in het groeiseizoen overdag vaak vele graden koeler dan hun omgeving.

De onderzoekers, aangevoerd door Pieter De Frenne van de Universiteit Gent, vergeleken de recent waargenomen soortenrijkdom in 29 verschillende bosgebieden met inventarisaties die gemiddeld 35 jaar oud waren.

De temperatuursvoorkeur van de afzonderlijke planten in al die opnames werd met een gangbare statistische methode afgeleid uit hun huidige geografische verspreiding. Bosplanten die bijna uitsluitend in Scandinavië voorkomen hebben kennelijk een voorkeur voor lagere temperatuur dan planten die vooral in Zuid-Europa groeien.

In die gemiddeld 35 jaar bleek eenderde van de soorten uit oude vegetatieopnames te zijn vervangen door nieuwe soorten, met een duidelijke penetratie van warmteminnende soorten. 20 van de 29 bosgebieden vertoonden een stijging van de floristische temperatuur, met de hoogste stijgsnelheid in het Speulderbos op de Veluwe. Van belang is dat de opmars van warmteminnende soorten binnen bossen trager verloopt dan daarbuiten. Het vermoeden dat dat komt doordat de schaduw onder de bomen de ondergroei koel houdt kon mooi worden bevestigd. Het blijkt dat de penetratie van ‘warme soorten’ het langzaamst verloopt in de dichtste, dus donkerste bossen. De gemiddelde dagtemperatuur in het groeiseizoen kan in heel dichte bossen aan de bodem wel 4 graden lager zijn dan in open bossen, zegt desgevraagd De Frenne. De onderzoekers waarschuwen dat het uitdunnen van bossen, dat nu zo in de mode is, leidt tot een versneld verlies van koele soorten.

In de tweede PNAS-studie, met de Canadees Mark Vellend als eerste auteur, is uitsluitend gekeken naar de soortenrijkdom an sich en niet alleen die van bossen maar ook van vegetatie-typen als toendra’s, savannen en graslanden. De vraag was of het onmiskenbare mondiale verlies aan soorten ook zichtbaar is op lokaal niveau. Het mondiale verlies aan soorten hangt samen met habitatverwoesting door bosontginning en urbanisatie. Of de aantallen plantensoorten ook achteruitgaan in habitats die niet of nauwelijks aangetast worden is nog weinig onderzocht.

Vellend c.s. besloten tot een meta-analyse van 168 eerder gepubliceerde studies die de rijkdom aan plantensoorten inventariseerden, een enkele 261 jaar oud. De verrassende uitkomst was dat op lokaal niveau geen verlies aan biodiversiteit zichtbaar is. Het aantal plaatsen waar de soortenaantallen afnemen wordt in evenwicht gehouden door plaatsen waar ze toenemen. Het binnendringen van exoten leidt vaak tot verlies aan biodiversiteit, herstel van een oude verstoring (zoal bosbrand) verhoogt haar. De praktische betekenis van het inzicht is dat op lokaal niveau ook nog geen verlies van ecosysteemfuncties optreedt. De plantengemeenschappen zijn nog even gezond.