Opinie

    • Arjen van Veelen

Kitesurfer

Moeder Natuur dacht even te laten zien wie hier ook al weer de baas was. Voor mijn deur had ze de stoep bezaaid met dakpannen. In de straat lagen, als stervende paarden, de scooters die ze had omgeworpen. In de stad had ze bomen op mensen geduwd.

Kinderachtig machtsvertoon.

Ik stapte in auto, naar de kust, even de kop leeg waaien, even fuck you terugschreeuwen tegen de wind.

De tweede straat die ik in wilde slaan was geblokkeerd, een boom dwars over de weg. Omrijden. Sirenes.

Iets later, op een rustige A9. De wind duwde pesterig nu eens tegen de voorkant, dan weer tegen de achterkant van de auto. Pak me dan, zei ik, als je kan, maar nam het stuur extra stevig beet.

Het was Code Rood, zei de radio, een boom had een jonge vrouw gedood, geruchten over nog een dode, we moesten binnen blijven.

Ik waaide langs Beverwijk, langs IJmuiden, naar Wijk aan Zee, door het dorp, daarna drie kilometer door de duinen, tot ik bij de noordelijke pier van de haven terecht kwam, onder de rook van Tata Steel. Drie windmolens stonden keihard te zoeven, energie voor jaren verdienden ze in een dag.

Ik liep richting pier. De wind trok aan mijn bril, het begon te plenzen – vette, pathetische druppels.

Langs zee trippelden een paar strandpleviertjes, heel dapper, heel obstinaat: steeds als de vogeltjes weggeblazen leken te worden, herpakten ze zich, trippelden ze terug naar het cappuccinoschuim bij de vloedlijn, waar kennelijk wat lekkers te halen viel.

Op de pier opvallend veel mensen. Sommigen schuifelden achteruit, rug in de wind, anderen hingen naar voren, als moonwalkers. Stelletjes haakten zich goed in elkaar vast, zodat, als ze dan toch moesten wegwaaien, ze in elk geval samen zouden gaan.

Iedereen had knijpogen en verbeten, gezandstraalde gezichten, maar ook iets voldaans; ieder kennelijk zijn redenen voor deze zelfgekozen afranseling.

Bijna aan het eind van de pier stonden twee jongens stil in de regen. De een droeg een scooterhelm en tuurde naar zee. De ander, zonder helm, stak zijn hoofd in zijn jas, probeerde een sigaret aan te steken. Lukte niet. Daarna keek hij weer naar zee.

Ze keken naar een kitesurfer. Een idioot, leek het, met dit weer. Hij maakte reusachtige, onwerkelijke sprongen, dichtbij het basalt van de pier, sprongen van wel twintig meter hoog. Secondelang hing hij boven ons. Leek wel of hij gekke bekken trok.

Het was Ruben Lenten, wisten de jongens, hij was wereldberoemd om zijn loops en zijn stunts in extreem weer. Zelf waren ze ook kitesurfers, maar ze durfden het met deze wind niet aan; er waren windstoten gemeten van 74 knopen, bijna 140 kilometer per uur.

„Gaat-ie weer hoor”, zei de jongen zonder helm.

En daar ging hij, halfgod in blauw wetsuit. Hij vliegerde zichzelf naar de hemel, hing seconden lang bijna recht boven onze hoofden, een doodsprong leek het, van trapeze naar trapeze, tot hij kalm daalde, landde en, weer wegstoof. Even laten zien wie hier de baas is.

    • Arjen van Veelen