Het gaat goed/slecht met de journalistiek (4)

Moeten journalisten ‘gewoon’ de feiten weergeven, of is dat een illusie en kunnen ze maar beter hun eigen overtuigingen volgen – en die de lezer laten weten?

Met andere woorden, wat is de belangrijkste waarde in de journalistiek: onafhankelijkheid en objectiviteit, of transparantie?

Over die vraag woedt een levendig debat – en nu hebben er zich ook twee grote journalistieke jongens, en tegenpolen, in gemengd. Glenn Greenwald, columnist van The Guardian en wereldberoemd sinds zijn onthulling van het NSA-schandaal, en Bill Keller, oud-hoofdredacteur en columnist van The New York Times, hebben de degens gekruisd in een beschaafde, maar prikkelende briefwisseling.

Het gaat om ‘ouderwetse’ onafhankelijkheid versus ‘modern’ engagement of transparantie, maar de heren wisselen ook nog een paar andere stekeligheden uit. En uiteindelijk komen ze tot de kern van de zaak: wat is anno 2013 nog de rol van journalistieke instituties? Zijn die nodig of achterhaald? Volgens Greenwald, die zich inmiddels heeft verbonden aan een mediaproject van e-Bay-oprichter Pierre Omidyar, staan die relevante journalistiek vooral in de weg; volgens Keller zijn ze onontbeerlijk voor de discipline en slagkracht van professionele berichtgeving.

Greenwald klaagt bijvoorbeeld:

Het standaard model voor de journalistiek heeft briljante verslaggeving opgeleverd, maar ook ongelooflijk veel afgrijselijke journalistiek en giftige gewoontes die het vak uithollen. Een journalist die doodsbenauwd is om een opinie ten beste te geven, of ook maar de indruk te wekken dat hij dat doet, zal vaak stevige, feitelijke beweringen vermijden en vluchten in laffe en nutteloze ‘zij-zeggen-dit-en-de-anderen-zeggen-dat’-formuleringen waarbij hijzelf het meningsverschil niet beslecht.

Zulke journalistiek, schrijft hij, is ,,even ineffectief als stomvervelend’’.

Keller, daarentegen, houdt vol:

Ik geloof dat onpartijdigheid als journalist je dichter bij de waarheid brengt, omdat het je dwingt allerlei veronderstellingen en aannames, ook die van jezelf, in twijfel te trekken. Ik denk dat journalistiek die begint vanuit een publieke stellingname minder snel de waarheid zal blootleggen, en ook minder snel mensen zal overtuigen die niet toch al overtuigd zijn. Kijk naar Fox News.

Keller gelooft eerder dat ,,de behoefte aan onpartijdige journalistiek nu groter is dan ooit, omdat we in een steeds partijdiger media-wereld leven’’.

Zo ontspint zich een lezenswaardig gesprek over mainstream media versus adversarial of geëngageerde journalistiek. De complete briefwisseling, een initiatief van Keller, is hier te lezen. Voor wie daar geen tijd voor heeft, is er ook een goede samenvatting te vinden. En hier bij The Guardian.

Op de achtergrond speelt ook oud zeer: Greenwald heeft nog een appeltje met Keller te schillen over de fouten van diens krant over de invasie van Irak (de niet bestaande massavernietigingswapens van Saddam Hussein waar The Times te lang in geloofde). En dan speelt er nog een semantische, of retorische kwestie. Greenwald verwijt Kellers krant dat die het woord ,,martelen’’ niet heeft gebruikt in de berichtgeving over het omstreden waterboarding van terreurverdachten. Volgens Greenwald getuigt dat van een veel te brave, zogenaamd neutrale mentaliteit die de werkelijkheid eerder verhult dan aan het licht brengt.

Keller, toen hoofdredacteur van de krant, reageert daar op met het verweer dat, zolang de praktijk gedetailleerd en waarheidsgetrouw wordt beschreven, het helemaal niet nodig is om dat opiniërende woord in de nieuwsberichtgeving te gebruiken: de lezer kan zijn eigen conclusies trekken, en de krant doet dat in het commentaar. Keller brengt ook nog even in herinnering hoe onverantwoordelijk Julian Assange in zijn ogen wilde omspringen met de WikiLeaks- onthullingen, door namen van vermeende Amerikaanse spionnen en informanten vrij te geven. De knallende ruzie waarmee Assange en The Times uit elkaar gingen, dreunt nog na in zijn woorden.

De correspondentie tussen Keller en Greenwald is intussen een nieuwe zet in een debat in de journalistiek over de inhoud en inzet van het vak en hoe die het beste kan worden gerealiseerd. De democratisering van de sociale media, de opkomst van mobiel internet, én de afbrokkelende economische basis van de oude media (met name de verdampende inkomsten uit advertenties) hebben die discussie doen oplaaien.

Een nieuwe leus is: ‘transparantie is de nieuwe objectiviteit’. Amerikaanse media-goeroe’s in het bijzonder maken zich daar sterk voor, zoals hier in een discussie van het Nieman Journalism Lab, of hier in de woorden van media-kenner Jeff Jarvis.

Maar ook in het werk van Tom Rosenstiel, met Bill Kovach auteur van het handbijbeltje The Elements of Journalism, is een omslag merkbaar. Rosenstiel maakte onlangs bekend dat in een nieuwe versie van zijn journalistieke ethiek het begrip “onafhankelijkheid” een stapje terug zou moeten doen ten gunste van een nieuwe waarde, “transparantie”. In nieuwe ethische richtlijnen voor de journalistiek, voor het Poynter Instituut, heeft hij die aanpassing al aangebracht. Die luidden tot nu toe:

1. Zoek de waarheid en doe er zo volledig mogelijk verslag van
2. Handel onafhankelijk
3. Breng zo min mogelijk schade toe

Makkelijker gezegd dan gedaan, daar niet van - maar dat weet Rosenstiel ook wel. Hoe dan ook, die tweede regel, over onafhankelijkheid, is nu vervangen door:

2. Wees transparant

Waarom? Omdat tegenwoordig weliswaar niet iedereen journalist is, maar toch meer mensen dan ooit dat zijn.

Rosenstiel:

Journalistiek is niet langer het monopolie van één homogene groep beroepsjournalisten in dienst van grote nieuwsorganisaties. Het kan nu ook komen van think tanks, bedrijven, actiegroepen en gepassioneerde eenlingen, van toevallige omstanders en van nieuwsgierige beginnelingen, en zovoorts.

Vandaar: leg uit wie je bent, wat je doet, met welke middelen en waarom.

Het idee is: in plaats van krampachtig hun eigen overtuigingen te verbergen en een steriel soort neutraliteit na te streven, kunnen journalisten maar beter duidelijk maken wat hun maatschappelijke en politieke uitgangspunten, doelen en idealen zijn. Dat is niet alleen eerlijker, het maakt het ook beter mogelijk hun werk te beoordelen.

Trouwens, er zit ook niets anders op, menen de pleitbezorgers van transparantie. Moderne mediaconsumenten slikken niet meer alles wat ‘de media’ presenteren als wijsheid op Stenen Tafelen – een ‘transparante’ benadering van het nieuws (wie maakt het, hoe en waarom?) is bittere noodzaak om klanten te binden, dus om te overleven.

Dan de keerzijde. Critici van transparantie als heilsboodschap hameren erop dat de kern van de journalistiek toch blijft dat het een vak is dat mikt op waarheidsvinding en niet op propaganda. Betrouwbare journalistiek moet aan ambachtelijke criteria voldoen: feitelijke accuratesse, hoor en wederhoor, bijvoorbeeld. Het gaat in de eerste plaats om de feiten, niet om de boodschap. Anders dreigt het gevaar van campagnejournalistiek: de berichtgeving aanpassen aan de (gewenste) mening of partijkeuze.

Naïef?

Zo extreem als nu geschetst, zijn de posities niet. Integendeel. Adepten én sceptici van nieuwe waarden als transparantie zijn het erover eens dat journalisten beter moeten uitleggen wat ze doen, meer inzicht moeten geven in hun werkwijze en afwegingen. Waarom brengt de krant, of de omroep, dit zo groot? Hoe is dit geruchtmakend onderzoek tot stand gekomen? Waarom vindt de krant dit opmerkelijk?

Ook zijn voor- en tegenstanders van transparantie als ideaal het erover eens dat ‘pure’ objectiviteit niet bestaat: journalisten maken altijd een selectie uit de feiten, in een context die wordt bepaald door concrete interesses, belangen en veronderstellingen. Oók door de interesses en ‘kleur’ van hun nieuwsmedium - niets mis mee zolang media die identiteit serieus nemen en er geen doekjes om winden. Volkomen neutrale journalistiek zou alleen een opsomming van de beurskoersen zijn, of de waterstanden. Waar het om gaat, is of bij het verzamelen van de feiten de regels van het vak zijn gevolgd.

Rosenstiel ziet transparantie op die manier juist als een onderstreping van onafhankelijkheid in de journalistiek, namelijk intellectuele onafhankelijkheid: de krant, of de omroep, vaart zijn eigen koers, in dienst van de publieke zaak. Ook Greenwald houdt op zijn beurt vol dat journalistiek ,,feitelijk accuraat’’ en betrouwbaar moet zijn, en daarvoor zijn spelregels nodig. Alleen, wat hem betreft: liever geen eindredacteuren en chefs die engagement of passie doodslaan met neutraal fabrieksproza.

Dat is misschien wel het echte pijnpunt. Greenwald en Keller lopen vooral uiteen in hun waardering van gevestigde journalistieke instituties (‘de oude media’). Greenwald wantrouwt die omdat ze veel te gezagsgetrouw zijn en bleke journalistiek produceren. Keller stelt daar tegenover dat instituties nodig zijn als een normerend kader voor waarheidsvinding. Journalisten die alles alleen maar met zichzelf hoeven af te stemmen, of ‘sterren’ worden die niet meer worden tegengesproken of gecorrigeerd, lopen het gevaar de feiten naar hun mening of overtuiging toe te gaan schrijven – en dan is de beer los.

Juist dit twistpunt maakt de briefwisseling tussen de twee de moeite waard. Zijn grote journalistieke organisaties een sta-in-de-weg of nog steeds de beste route voor professionele journalistiek?

Ik neig zelf meer naar Keller, omdat ik er niet alleen van overtuigd ben dat journalisten (het zijn net mensen) instituties nodig hebben, maar ook dat ‘de media’ alleen in georganiseerd verband een blijvende democratische tegenmacht kunnen vormen. Maar daar staat tegenover: Greenwald heeft ontegenzeggelijk een punt, met zijn kritiek op het falen van de gevestigde media in grote dossiers, van Irak tot WikiLeaks en de NSA.

Alleen, betekent dit dat instituties overbodig zijn geworden, of toch eerder dat ze niet goed functioneren? Is de oplossing ze te passeren of ze te verbeteren?

Wat vindt u?

    • Sjoerd de Jong