Herfst (BV)

Voordat ik gistermorgen aan mijn column begon, maakte ik nog even een wandeling door de buurt. Zonder die stoere stormparaplu waarvoor ik eerder op deze plaats reclame maakte, want het regende niet, het woei.

Mijn vrouw vond niet dat ik naar buiten kon, maar je moet wat voor je lezers overhebben. Nee, niet mijn leven, maar ik had ook niet het gevoel dat ik dat op het spel zette; dan had ik beter oorlogsverslaggever kunnen worden.

Om een of andere reden onderschat ik altijd het gevaar als het in mijn nabijheid komt. „Het zal zo’n vaart niet lopen.” Met dat credo ging ik ook nu weer tegen een uur of tien op pad, gesteund door het vermoeden dat de weerprofeten het wel overdreven zouden hebben. Die mensen moeten nu eenmaal van de wind léven.

Langs het grachtje waar ik woon, was niets aan de hand, er stond een stevige wind, maar van ‘optornen’ was nog geen sprake. De eerste waarschuwing kwam een stuk verderop, aan de Korte Prinsengracht, waar een iep zich in een dramatische pose dwars over een woonboot had gelegd. De politie hield toezicht, werklieden zaagden de loshangende takken van een belendende boom af en burgers deden de rest: fotograferen. Ik liep door naar het Westerdokseiland, tot waar de hoge appartementengebouwen ophielden. Daar begon een korte open ruimte waar de wind vrij spel had. Eerst had ik nog niet veel in de gaten, tot ik merkte dat tegemoetkomende fietsers moesten afstappen. Plotseling was de wind ook rondom mij, pakte me bij mijn opgestoken kraag en probeerde me in de richting van het water te duwen.

Het was leuk voor mijn stukje, maar het was nog leuker als ik niet nat werd in het water van de jachthaven. Ik moest opeens iets doen wat ik nog nooit eerder in mijn leven had gedaan: me vastklampen aan een boompje, even later aan een lantaarnpaal die meer vastigheid bood. Jammer dat geen lezer het kon zien, want het moet ook iets onverschrokkens hebben gehad, zo’n oudere man die het gevaar ogenschijnlijk in kalmte trotseert. Dat is nog eens wat anders dan thuis ‘achter de geraniums’ te zitten, met je gebit in een schoteltje op de vensterbank.

Op de terugweg ontmoette ik ter hoogte van restaurant De Belhamel op de Brouwersgracht een andere iep die het had opgegeven; hij lag pontificaal dwars over de weg, zijn kroon reikte tot in een binnenstraatje. Een uitgesproken mooie, bezienswaardige dood. Even verderop zag ik zes oude mensen in een huis geconcentreerd kamermuziek spelen – de buitenwereld bestond voor hen niet, hier won het eeuwige leven.

Ik kwam weer op mijn eigen grachtje terecht en merkte tot mijn verbazing dat daar in de tussentijd een iep zich compleet over het water had gevouwen, tot op de andere kaderand. De boom zat nog met één wanhopige wortel aan de grond vast. Een witte zwaan zag zijn doorgang over het water versperd en begreep er niets van, hier had hij toch nooit eerder problemen gehad?

Ik haastte me naar huis, bezorgd over de oude iep voor ons raam waarvan we ons elk jaar weer afvragen of hij de herfst zal doorstaan. Hij stond er nog, wiebelend in de wind.

„Waar bleef je”, vroeg mijn vrouw. Ze vertelde dat we van de brandweer binnen moesten blijven en dat er op de Herengracht al een dode was gevallen. We keken naar buiten. Aan de overkant stond een busje van, ik verzin niks, het loodgietersbedrijf G.H. Herfst BV.

Viel er toch nog wat te lachen.