De zaak van huisarts Tromp uit Tuitjenhorn

Artsenorganisatie KNMG gaat haar leden een opfriscursus aanbieden over wat wel en niet mag bij euthanasie en palliatieve sedatie. Ook vraagt ze een onafhankelijk onderzoek naar de zaak van huisarts Tromp in Tuitjenhorn die drie weken geleden zelfmoord pleegde nadat hij was geschorst in verband met een sterfgeval.

Wat is er tot nu toe bekend over de huisarts?

Op 19 augustus ging huisarts Tromp met een co-assistent, die bij hem in de leer was, naar een terminale patiënt in het dorp. De man had slokdarmkanker en was tien dagen eerder uit het ziekenhuis ontslagen om thuis te sterven. Hij lag in bed. Zijn vrouw vroeg of hij iets kon krijgen omdat hij het zo benauwd had. Huisarts Nico Tromp (58) ging met de co-assistent terug naar de praktijk en haalde de spullen. Even later spoot hij in één keer een gram morfine in het been van de patiënt, een dodelijke hoeveelheid. In het andere been spoot hij 350 milligram dormicum (slaapmiddel). Binnen een half uur was de patiënt dood, Tromp en de co-assistent waren toen al vertrokken. De huisarts vulde ‘natuurlijke dood’ in op de overlijdenspapieren.

Is dit normaal?

Nee. Er zijn drie mogelijkheden bij de behandeling van een terminale kankerpatiënt die heel benauwd is. De arts kan 10 tot 50 milligram morfine geven om de benauwdheid te verminderen. Dat moet om de zo veel tijd herhaald worden.

Dan is er ‘palliatieve sedatie’, wat inhoudt dat de patiënt slapend sterft. Dit kan een paar dagen duren en mag alleen als de arts inschat dat de patiënt nog hooguit twee weken zou leven. De arts hoeft hiervoor geen collega te raadplegen. Hij geeft de patiënt een slaapmiddel waardoor hij in zijn slaap overlijdt aan de ziekte. De dood wordt niet echt versneld. Dit is wat de patiënt en zijn vrouw in Tuitjenhorn zouden hebben gewild.

En dan is er euthanasie – waarbij de patiënt dood wordt gemaakt, met spierverslappers. Daarvoor moet de patiënt een verklaring hebben getekend toen hij ‘wilsbekwaam’ was en hij moet „ondraaglijk en uitzichtloos lijden”. De arts moet een collega hebben geraadpleegd over de situatie. Achteraf moet de euthanasie worden gemeld bij de regionale toetsingscommissie die ernaar kijkt. De patiënt in Tuitjenhorn had in de zomer een euthanasieverklaring getekend, maar zou daarna hebben besloten liever palliatief te worden gesedeerd.

Wat gebeurde vervolgens ?

De co-assistent was ongelukkig over de ingreep op 19 augustus en meldde dit bij haar begeleider, verbonden aan het Amsterdamse AMC. Die meldde de zaak al snel bij de Inspectie maar vertelde dit niet aan huisarts Tromp. De Inspectie zocht wel contact met Tromp, op 26 september, en zei dat hij twee weken kreeg om zich te verantwoorden voordat zijn schorsing bekend zou worden gemaakt.

Vier dagen later meldde Tromp zich ziek. Die dag schreef zijn advocaat aan de Inspectie dat Tromp inzag dat hij onverstandig had gehandeld en zich te veel had laten leiden door zijn primaire impuls, „namelijk om de patiënt zo snel mogelijk pijn- en benauwdheidsvrij te krijgen”. Op 2 oktober maakte de inspectie zijn schorsing alsnog bekend omdat de „patiëntveiligheid in gevaar was”. De inspectie schakelde justitie in, die ’s avonds een inval deed in Tromps woning waar ze onder meer morfine vond. Tromp werd urenlang verhoord. Op 8 oktober pleegde Tromp zelfmoord. De advocaat van Tromp had de inspectie ingelicht dat hij labiel was. Hij was eerder opgenomen geweest omdat hij suïcidaal was.

Hoe reageerden artsen?

Na de zelfmoord zouden tien huisartsen het AMC hebben laten weten dat hun co-assistenten voorlopig niet welkom waren. Ze zouden boos zijn dat een collega zomaar was ‘verlinkt’ zonder te zijn ingelicht. Het AMC reageerde met een brief dat Tromp „buitensporig en bewust normoverschrijdend handelde”.

Vrijdag publiceerde de Inspectie het complete ‘bevel’ over de zaak-Tromp. Waarom?

Om onrust weg te nemen. Ze wilde laten zien dat artsen die zich aan de regels houden niets te vrezen hebben.