De NSA bespioneert niet en andere grappen

De afgelopen week kwam ik twee artikelen tegen waarvan ik in eerste instantie dacht: leuk, satire. Maar dat bleek in latere instantie een vergissing. Het tweede artikel, om daarmee te beginnen, was een vraaggesprek van het blog Armed with Science met generaal Keith Alexander, chef van de zo in opspraak gekomen Amerikaanse veiligheidsdienst NSA. Dit

De afgelopen week kwam ik twee artikelen tegen waarvan ik in eerste instantie dacht: leuk, satire. Maar dat bleek in latere instantie een vergissing. Het tweede artikel, om daarmee te beginnen, was een vraaggesprek van het blog Armed with Science met generaal Keith Alexander, chef van de zo in opspraak gekomen Amerikaanse veiligheidsdienst NSA.

Dit is geen geïsoleerd verhaal. Dit is tegenwoordig de stemming onder een meerderheid van de Egyptenaren

Spionageprogramma’s? Welnee, de NSA doet niet aan spionageprogramma’s. En hoe dan ook, zei hij, de pers verspreidt allemaal halfbakken informatie.

Zoals dat verhaal over 70 miljoen telefoongesprekken die in een maand in Frankrijk waren afgetapt. Je hebt iets minder dan 100.000 vertalers nodig om al die gesprekken te bekijken, rekende de generaal voor. „En Frankrijk is een bondgenoot. Het is absurd.”

Nee, wat absurd is, is dit interview. Wie zou echt denken dat de NSA lijfelijk 70 miljoen gesprekken heeft zitten beluisteren? Iedereen weet dat die zijn opgeslagen voor eventueel later gebruik. En hoezo bondgenoten niet aftappen? Is de afgeluisterde Duitse bondskanselier Merkel geen bondgenoot?

Maar ik wilde het vandaag opnieuw hebben over Egypte. Het eerste artikel dat mijn aandacht trok ging over de nieuwe sterke man generaal Abdel-Fattah al-Sisi. De Sisi van de chocolaatjes met zijn beeltenis. Ik weet dat ik vorige week ook al over hem schreef, maar het moet.

„Hij staat rechtop, rijzig, onberispelijk gekleed en van kop tot teen gesteven”, begint het artikel in Al-Ahram Weekly. Dat is toch een gezaghebbend staatspersorgaan, en daarom en wegens die beginzin dacht ik even aan een grap. Maar dat was het niet. „Abdel-Fattah al-Sisi’s naam lichtte op in het duister. Op hem werd een beroep gedaan op een supreem moment in de geschiedenis; een soort geheimzinnig rendez-vous met het lot.”

En vooruit, nog een zin omdat het zo fantastisch vreselijk is: „Zijn gebronsde, gouden huid, even goudkleurig als de zonnestralen, verbergt een scherp, analytisch vuur [...] Er is bijna poëzie in zijn leiderschap, maar het vuur van de zon brandt in zijn aderen.”

Dit is geen geïsoleerd verhaal. Dit is tegenwoordig de stemming onder een meerderheid van de Egyptenaren. Nu heb ik nooit geloofd in de revolutie van de Arabische Lente – te veel inwoners, te arm, te slecht opgeleid, en ga zo maar door. Een supertanker verander je toch ook niet zomaar doorslaggevend van koers? Maar de manier waarop de kortstondig hoopvolle anarchie is omgeslagen in deze heldenverering verbijstert me.

De nieuwe farao is opgestaan.

Carolien Roelants is Midden-Oostenexpert en scheidt op deze plek iedere dinsdag de feiten van de hypes.