Zaak Tuitjenhorn beschadigt medische praktijk levenseinde

Het ziet ernaar uit dat veel opschudding en onrust rond de zelfmoord van huisarts Tromp uit het Noord-Hollandse Tuitjenhorn achteraf verkeerd gericht is geweest. Vrijdag maakt de Inspectie Gezondheidszorg bekend waarom ze de huisarts als een „dermate acuut, ernstig en omvangrijk risico” voor de patiëntveiligheid beschouwde dat hij meteen geschorst moest worden.

De huisarts had in medische termen een calamiteit veroorzaakt door met een excessieve dosis morfine en dormicum een terminale patiënt definitief te laten inslapen, die daar niet om had gevraagd. Althans niet op die manier. De man had zijn euthanasieverklaring ingetrokken en wenste een zachte maar natuurlijke dood, onder medische begeleiding. De arts verklaarde „uit een primaire impuls” diens pijn- en verstikkingsklachten zo snel mogelijk te hebben willen onderdrukken. Kennelijk zag hij het verschil tussen palliatieve sedatie en iemand een dodelijke dosis toedienen niet of niet meer.

De publieke discussie ging tot de openbaarmaking van het sluitingsbevel van de praktijk behalve over de inspectie en het Openbaar Ministerie vooral over de professionele ruimte die huisartsen bij het sterfbed nodig hebben. Bijvoorbeeld om zware medicatie naar eigen inzicht te mogen doseren, met de bedoeling om een natuurlijke dood zonder benauwdheid te laten intreden. Veel huisartsen voelden zich bedreigd in hun vrijheid van handelen door het optreden van het gezag in de affaire Tuitjehorn. Cruciaal in het IGZ rapport is echter de constatering, ontleend aan strafrechtelijk onderzoek, dat Tromp zijn patiënt 1.000 mg morfine en 350 mg dormicum toediende. Ruwweg honderdmaal de toegestane dosering. Iedere huisarts begrijpt dat er dan van palliatieve sedatie geen sprake meer is.

Zoals bij alle misstanden is het achteraf de vraag waarom die pas nu werd ontdekt. Er waren een helder denkende stagiair ‘van buiten’ en een doortastend ziekenhuis voor nodig. Bestond er in de regio of in de praktijk zelf dan geen toetsing of collegiale controle? Controleerde de inspectie ooit de morfine-ampuladministratie van deze praktijk? Had de regionale verpleegkundige zorg ooit twijfel? Deze vragen verdienen nog een antwoord.

Net als deze: was er in deze praktijk mogelijk sprake van oversterfte? Er zijn immers aanwijzingen dat er vaker grenzen werden overschreden. Met name de uitspraak van de huisarts, dat hij „ook wel eens een zak over een hoofd trok” en de aanwezigheid van een tankje helium maken deze zaak mogelijk groter. Er bestaan in Europa immers meer voorbeelden van verpleegkundigen of artsen die ontsporen en terminale patiënten zelfstandig uit hun ‘lijden verlossen’. Dan is de reputatie van de gereguleerde en doorgaans goed getoetste levenseindepraktijk in Nederland verder beschadigd.