Varanen gedijen bij jacht door Aboriginals

De Martu uit West-Australie stichten branden om de jacht te vergemakkelijken. Door die kleinschalige branden ontstaan gunstige landschappen voor wild.

Aboriginals van de Westelijke Woestijn in Australië houden er een jachtmethode op na die maakt dat bejaagde soorten beter gedijen. Zij branden stukken vegetatie af om het zoeken naar jachtbuit te vergemakkelijken. Zo ontstaat een meer afwisselend landschap waarin de varanen waarop zij jagen het juist goed doen. Waar geen jagers zijn, verspreiden branden die het gevolg zijn van blikseminslag zich over grote oppervlakten, is het landschap eentoniger en zijn de varanen schaarser.

Dat schreven de Amerikaanse antropologen Rebecca en Douglas Bird, verbonden aan Stanford University, en twee collega’s vorige week in het wetenschappelijke tijdschrift Proceedings of the Royal Society B. De vier hebben jaren onderzoek gedaan onder twee gemeenschappen van de Martu, aboriginals in het westen van Australië. Zij gingen na welke uitwerking deze jagers en verzamelaars hebben op de omvang van de dierenpopulaties waar zij jacht op maken.

De Martu zeggen dat hun kennis van de hen omringende woestijn een kwestie is van jukurr (dromen). Dromen is de term die de meeste aboriginals gebruiken voor hun kijk op de natuur en op de kosmos. Dat droomdenken is minder irrationeel dan het lijkt. Om te zorgen dat het leven doorgaat, zeggen de Martu, moet het land worden gebruikt. Waar niet wordt gejaagd, gaan soorten achteruit. En daar lijkt het ook inderdaad op.

De Birds en hun collega’s kwamen tot de conclusie dat de achteruitgang van het traditionele jagen – door stukken vegetatie af te branden - in het midden van de twintigste eeuw, toen de Aboriginals onder zware druk stonden, er juist toe heeft geleid dat veel woestijnsoorten, die afhankelijk waren geworden van deze praktijk, verdwenen.

En dat werd een vicieuze cirkel. Dat de varanen steeds schaarser worden maakt dat de Martu grotere afstanden moeten afleggen om genoeg jachtbuit te vinden, zodat zij steeds vaker auto’s gebruiken. Daardoor zijn ze aangewezen op terreinen dichtbij wegen en karresporen, waardoor verder weg gelegen gronden bloot staan aan ‘bliksembranden’. En omdat ze steeds afhankelijker worden van inferieur gekocht voedsel gaat de gezondheid van de gemeenschappen achteruit.

De bevindingen van de vier zijn ammunitie in een lopend debat tussen antropologen over de invloed die het jagen en verzamelen als bestaanswijze heeft op ecosystemen. Met name tribal burning, jargon voor de jachtwijze van de Martu en andere jagers en verzamelaars, is omstreden. De Amerikaanse antropoloog Shepard Krech III wijdde in zijn boek The Ecological Indian (1999) een hoofdstuk aan de grootschalige toepassing in Noord-Amerika van bos- en prairiebranden voor jacht en oorlogvoering. Of dat destructief of heilzaam was, schrijft hij, hing af van het ecosysteem.

Niet alle ‘natuurmensen’ waren of zijn goed voor de natuur. Maar het kan wel, zie de Martu.

    • Dirk Vlasblom