Opinie

    • Renske de Greef

Renske Intimidatie

Zodra ik met iemand over columns praatte, kwam die ene vraag voorbij: maar je hebt toch zeker wel een voorraadje op de plank liggen? Het antwoord was: nee. Het is me nooit gelukt om vooruit te werken. Dat resulteerde helaas wel in Het Paniekvisioen: dat ik ergens bloedend in een goot lig terwijl de hondsdolle labrador die me aanvalt mijn mobiel opeet, en ik alleen maar kan denken: de krant… wat staat er morgen op mijn plek? Dus stuurde ik de krant het Renske Is Kwijt Rescue Plan met daarin een reservecolumn. Voordat ik toestemming zou geven die te publiceren moest eerst mijn rechterarm eraf vallen. Nu, met nog drie columns te gaan, durf ik het aan. Een column van drieënhalf jaar geleden waar ik nooit meer naar heb gekeken. Nu maar hopen dat ik in die laatste week geen schuimbekkende labradors tegen zal komen.

Eens in de zoveel tijd kijk ik in de spiegel, denk vervolgens aan dode planten, herfst en natgeregende honden en weet dan: het is tijd voor de kapper. Nu ga ik graag naar de kapper, niets is immers fijner dan iemand anders die je haar wast. Maar elk kappersbezoek staat tegelijkertijd ook in het teken van vrees: in mijn toptien van intimiderende beroepsgroepen staan enkel manegeleidsters en cabaretiers hoger.

Vroeger hoorde ik mensen weleens klagen over eindeloos praatzieke kappers, die precies willen weten waar je op vakantie bent geweest, wat voor weer het was en hoeveel gamba’s je hebt gegeten. Dit stamt denk ik uit een andere tijd. De tijd waarin kappers zich nog niet ‘haarkunstenaar’ noemden.

Bij mij gaat het meer zo: ze komen achter me staan, kijken me aan via de spiegel, laten een omineuze stilte vallen en zeggen: „Wanneer ben je voor het laatst naar de kapper geweest?” Ik slik. „Ehm… vier maanden geleden?” antwoord ik. Hierop knikken ze zakelijk, alsof er zich op mijn kruin inmiddels een prehistorisch oerbos bevindt. Daarna pakken ze een haarlok, laten die lichtelijk misprijzend uit hun vingers glippen en zeggen dan: „Je haar is heel dun. Ook is het dof en droog, heeft het te veel zon gehad, gebruik je geen goede conditioner, zijn de punten gespleten en de wortels depressief. En je hoofd is nogal rond.” Hierop knik ik snel, blij dat ik het weer overleefd heb. Om dit geheel te omzeilen ben ik weleens naar een ouderwetse kapper geweest, met een ronddraaiende rood-wit gestreept cilinder boven de deur. Hij kostte 12 euro, maar het knippen duurde een uur en het rook er sterk naar een gaslek.

Dus fietste ik weer naar een te dure kapper en probeerde mezelf voor te bereiden: ‘Jíj bent de baas. Haar is gewoon dood dus „gezonde haarpunten” bestaan helemaal niet. Je wilt géén extra producten. Je mag altijd vragen hoe duur iets is. Jij gaat straks lekker naar huis terwijl zij mensenhaar moeten aanvegen.’

Maar als ik eenmaal in de stoel lig, met mijn hoofd achterover in een wasbak en ik iemand vilein zoetgevooisd hoor vragen: „Haarmaskertje erin?” smelt mijn verzet meteen. Ik zeg: „O, ja, natuurlijk” en houd me de rest van de tijd frases voor als ‘cadeautje voor jezelf’ en ‘je moet jezelf ook dingen gunnen’.

Zo probeer je intimidatie goed te praten.

    • Renske de Greef