Peetvader van de punk en de indierock

Met The Velvet Underground maakte Lou Reed een van de belangrijkste platen in de pophistorie. Ook als soloartiest was hij zeer invloedrijk.

Rock-’n-roll kan levens redden, wist Lou Reed als geen ander. Als frontman van The Velvet Underground bezong hij in 1970 het meisje Jenny, dat op zekere dag de radio aanzet en niet kan geloven wat ze daar hoort. „She started dancing to that fine fine music, her life was saved by rock-’n-roll.”

De gisteren op 71-jarige leeftijd overleden Lou Reed, geboren als Lewis Allan Reed in Brooklyn, herkende op jonge leeftijd de kracht van de vroege rock-’n-rollmuziek die hij op de radio hoorde. Als fan van rhythm & blues en doowop maakte hij op zestienjarige leeftijd zijn eerste plaatje als gitarist van The Jades, dat het tot het radioprogramma van discjockey Murray The K schopte. Reed ging journalistiek, film en literatuur studeren aan de Syracuse University waar hij les kreeg van de dichter Delmore Schwartz, die hij later als zijn grote inspirator aanwees. In zijn vakanties maakte Reed banale popplaatjes voor het Pickwick-label.

In New York ontmoette hij John Cale en Sterling Morrison, met wie hij onder invloed van de avant-gardecomponist La Monte Young de experimentele rockgroep The Velvet Underground oprichtte, met een belangrijke rol voor Cales elektronisch versterkte altviool. Onder de hoede van Andy Warhol maakten ze hun eerste album, met Warhols befaamde hoes van een half afgepelde banaan. Fotomodel Nico werd door Warhol als zangeres aan de band toegevoegd. Het album verkocht slecht maar, zoals Brian Eno later verklaarde, was zo invloedrijk dat iedereen die het gehoord had zelf een band oprichtte.

The Velvet Underground koppelde het kunstzinnig nihilisme van Warhols kunstenaarsgemeenschap The Factory aan indringende muziek die atonaal en confronterend durfde te zijn. Met zijn nasale zang en songs als Heroin en White light/white heat werd Lou Reed de stem van decadent New York. De teksten waren die van een dichter aan de zelfkant, waarin drugsgebruik en sadomasochisme de normaalste zaken van de wereld leken. Tegelijk ontwikkelde Reed zich als een vakkundig songschrijver die met Sunday morning en Pale blue eyes gedenkwaardige rockballads kon schrijven. De nummers Sweet Jane en Rock ’n’ roll bleven favorieten op zijn solorepertoire.

Reed werd geëerd door superfan David Bowie die hem als een grondlegger van de glamrock naar Londen haalde. Daar maakte Reed het album Transformer met succesnummers als Walk on the wild side, plus het romantische Perfect day dat in 1997 met terugwerkende kracht een hit werd in een versie met Bono, Bowie en Tammy Wynette.

Lou Reeds solocarrière leverde in de jaren zeventig briljante albums op als het duistere Berlin en het semi-autobiografische Coney Island Baby. Hij schreef over de onderwereld van New York waar hij deel van uitmaakte, hoewel de componist altijd ontkende dat de liedjes over hemzelf gingen. Personages als Little Joe en Sugar Plum Fairy uit Walk on the wild side bestonden echt.

Lou Reed verschool zich graag achter personages, die hij dingen liet zeggen als „I don’t wanna be a fucked up, middle class, college student anymore” (in het controversiële I wanna be black). Vaak voerden die teksten terug op zijn getroebleerde jeugd waarin hij ingrijpende psychiatrische behandelingen had ondergaan. Reed verloor in die tijd zijn compassie voor anderen en ontwikkelde zich tot een New Yorkse tough guy, moeilijk in de omgang en niet snel tevreden.

Het dubbelalbum Metal Machine Music uit 1975 werd beschouwd als commerciële zelfmoord, omdat het uitsluitend elektronische drones bevatte die Reed had opgenomen door zijn gitaar tegen de versterker te laten feedbacken. Hij zag het als een test: „Als ik hier mee wegkom, kan ik alles maken.” Interviewers en critici beschouwde hij als lastige insecten. In Europa eiste de control freak dat hij altijd tien centimeter hoger zat dan de journalist, met het licht in zijn rug. Als je Lou eerst een kwartier prees om zijn fantastische muziek, was hij daarna bereid over zijn roemruchte verleden te praten. Een criticus die hem niet beviel zette hij op zijn plaats met de woorden: „Jouw jaar is mijn dag.”

Terwijl zijn platen in de jaren tachtig en negentig minder opzienbarend werden, groeide Reeds reputatie als peetvader van punk, indierock en het avontuur in de popmuziek. De hereniging met John Cale leverde in 1990 het aan de nagedachtenis van Andy Warhol gewijde album Songs For Drella op. Reed verscheen met een leesbril op literatuurfestivals waar hij voordroeg uit zijn tekstenbundel Between Thought and Expression. Meer dan dertig jaar na het origineel bracht Reed een nieuwe versie van zijn conceptwerk Berlin op de planken. In 2008 trouwde hij met performancekunstenares Laurie Anderson.

Zijn laatste spraakmakende project was het album Lulu (2011) met Metallica, waarop zijn monotone zang een moeizame combinatie vormde met de snoeiharde gitaren van de metalband. Na een breed in zijn teksten gedocumenteerd leven van seks, drank en drugs onderging Lou Reed in mei van dit jaar een levertransplantatie. De rock-’n-roll heeft hem in zijn laatste dagen niet kunnen redden. Zijn muziek is onsterfelijk.

    • Jan Vollaard