‘Onze plek in de wereld ken ik niet’

Het werk van de gelauwerde natuurkundige Mikhail Katsnelson kwam in Nijmegen tot grote bloei. De Spinozapremiewinnaar is sinds kort ook dichter.

Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron. Foto AFP

Redacteur Wetenschap

In Jekaterinenburg valt al sneeuw. De stad, ruim 1.600 kilometer ten oosten van Moskou en hoofdstad van de Oeral, heeft een landklimaat. Hete zomers. Lange, koude winters. „Alleen in april, mei en september is het er aangenaam”, zegt theoretisch fysicus Mikhail Katsnelson.

In 2004 verruilde Katsnelson de Oeral – „mijn thuisland” – voor Nijmegen. Hij was 45 en zijn wetenschappelijk werk stagneerde. In Nederland kwam zijn carrière tot grote bloei.

Katsnelson, een zware man met milde gebaren, werkte er onder meer aan grafeen, samen met de latere Nobelprijswinnaars Andre Geim en Konstantin Novoselov. In 2010 zette Thomson-Reuters hem op de lijst van ‘hottest’ natuurwetenschappers. Dit jaar kreeg hij een prestigieuze Europese ERC-beurs én de Nederlandse Spinozapremie. Het maakte hem ook in Rusland beroemd.

De Radboud Universiteit bracht ter ere van de Spinozapremie onlangs een bundel uit met vijftien gedichten van Katsnelson, met Engelse en Nederlandse vertalingen. Deze zomer was Katsnelson in Jekaterinenburg in een nieuwe hoedanigheid. In een zaaltje droeg hij gedichten voor. „Er waren zo’n vijftig man”, zegt hij met een lachje. „Dat is voor dit soort bijeenkomsten redelijk wat, geloof ik.”

Hoe kwam u tot dichten?

„Ik hield altijd al van poëzie; ken veel gedichten uit het hoofd. En zoals alle studenten, in elk geval in Rusland, heb ik toen gedichten geschreven. Maar die waren niet erg goed. Het begon pas toen ik in Nederland was. Natuurlijk kon ik met collega’s over mijn werk praten, maar ik ben een actief persoon, hou me graag met van alles bezig en wil daarover communiceren. Gelukkig zijn er nu sociale media; zo kwam ik in contact met Russische schrijvers en redacteuren. Zij moedigden me aan.”

Eerder, rond 2000, had hij al eens twee non-fictieboeken geschreven over de spanning, strijd zo je wilt, tussen wetenschap en religie. Het eerste boek, „dat ik zelf niet erg meer waardeer”, maakte felle discussie los en verkocht goed. Van het tweede boek, „dat veel persoonlijker is en waar ik van hou”, liggen bij hem thuis nog grote stapels.

In Nederland begon Katsnelson met korte verhalen – „daar slaagde ik niet erg in” – en kwam toen bij de poëzie uit. „Die biedt me nu een ander venster op de wereld.”

In uw gedichten komt amper wetenschap voor.

„Nee, voor mij zijn het twee verschillende werelden. Om over wetenschap te kunnen praten, heb ik geen gedichten nodig. Gedichten zijn persoonlijker, gaan over een ander deel van de werkelijkheid.”

Uw poëzie bevat religieuze thema’s...

„Ja, ik ben een gelovig mens. Rond mijn dertigste ben ik toegetreden tot het Russisch-orthodoxe geloof. Hier in Nederland kan ik dat niet zo actief praktiseren; het is lastig om kerkdiensten bij te wonen. Maar inderdaad, ik ben religieus.”

Katsnelson is toch een oude Russisch-joodse naam?

„Ja, ik ben een jood. Mijn ouders waren joods, en als het anders was gelopen was ik misschien in de joodse traditie gebleven. Maar mijn ouders waren echte Sovjetburgers. Ze waren beiden arts, en ze hebben me opgevoed zonder de joodse traditie. Misschien kenden ze die zelf ook niet. Het was in de Sovjet-Unie, zacht gezegd, niet gemakkelijk joods te zijn. Op mijn ouders en grootouders na weet ik ook niets van mijn familie. Wel voelde ik me als kind al een jood – doordat ik soms op straat werd nageroepen. Pas op mijn 24e las ik de Bijbel. Hoe is het mogelijk, dacht ik, dat ik dit boek, zo cruciaal voor het leven, niet eerder heb gelezen?”

Veel wetenschappers voelen juist weerstand tegen religie...

„Naar mijn indruk in Rusland nog meer dan in Nederland. Russische intellectuelen, hoezeer ze destijds ook tegen het Sovjetregime waren, hebben één aspect daarvan overgenomen: de haat jegens religie.”

In het Westen nemen wetenschappers ook stevig stelling, zoals de evolutiebioloog Richard Dawkins?

„Ik kan niet voor biologen spreken. Maar als fysicus begrijp ik zoiets niet. Als je met zelfbeheersing en zelfkritiek naar je onderzoek kijkt, dan moet je constateren dat het vreselijk moeilijk is om zelfs over de eenvoudigste en meest versimpelde systemen heldere uitspraken te doen. Hoe kun je je dan wagen aan de wereld daarbuiten, die zo complex is? Het eerlijke antwoord van wetenschappers op grote vragen – zoals naar onze plek in de wereld – is volgens mij: dat weten we niet.”

Twee à drie keer per jaar bezoekt Katsnelson Jekaterinenburg. Zijn kinderen en kleinkinderen wonen er. Zijn oude vrienden. Maar het land dat hij kende, bestaat niet meer. „Er is daar zo veel veranderd. Soms heb ik het gevoel dat de Sovjet-Unie nu al evenzeer gemythologiseerd wordt als het oude Romeinse Rijk. Dingen die als goed worden afgeschilderd, waren in werkelijkheid slechter. Dingen die als slecht worden gezien, waren in het echt beter.”

Onwennigheid bekruipt hem vooral in Moskou. „Ik was er vaak, vroeger. Maar nu is er een nieuwe traditie ontstaan die de grote verschillen in de maatschappij benadrukt. Ik zeg expres traditie en niet cultuur, omdat ik het acultureel vind. Natuurlijk, verschillen houd je altijd. De ideale maatschappij bestaat niet. Maar er zijn daar mensen die met super-de-luxe huizen, grote auto’s en horloges van honderdduizenden dollars voortdurend laten zien dat ze slimmer zijn dan de rest – in de zin van rijker, machtiger, handiger. Het is een minderheid, maar er valt niet aan te ontkomen. Ze springen in het oog en dat willen ze ook. Ik hoop dat ze in de toekomst leren bescheidener te zijn.”

Zou u terug willen?

„Zeker. Als ik verder niet veel om handen had, keerde ik meteen naar Jekaterinenburg terug. Die stad is anders dan Moskou – zachter. Zelfs de luxeflats zijn er smaakvoller. Net als in veel Europese steden staan er tegenwoordig veel kunstwerken, gemaakt door bekende beeldhouwers. En mijn kinderen wonen er, vrienden, ik kom uit de Oeral... Maar ja, ik ben allereerst fysicus. In Nijmegen word ik alleen beperkt door mijn eigen luiheid en gebrek aan verstand. Verder zijn de omstandigheden om mijn dromen in de natuurkunde waar te maken, hier haast ideaal.”