Je leven wijden aan de kunst: naïef of juist verstandig?

‘Djiezzz...”, fluistert het meisje achter mij luid tegen haar buurman, „die heeft echt geen gêne!”

‘Die’ is mimespeler Erika Cederqvist, die haar blote schaamheuvel toont aan het publiek tijdens ITs Hits on Tour, een compilatieavond met drie voorstellingen van pas afgestudeerd toneeltalent. Ze doet geschokt, maar in haar gefluister klinkt bewondering door. Sowieso domineren ontzag en enthousiasme bij het merendeel van het piepjonge publiek in Theater Bellevue. De vrees voor non-stop appen, gegiechel bij sterfscènes of braakgeluiden bij bloot, altijd op de loer bij schoolklassen in de zaal, blijkt volledig ongegrond. Deze groep lacht op het juiste moment, zwijgt als dat gepast is, en is bijzonder gul qua applaus. Hun uitgelaten aanwezigheid stuwt de optredens van Cederqvist en collega’s Julie Solberg, Wies Fest, Yannick van de Velde en Tom van Kalmthout op tot grote hoogte.

Navraag leert dat het een klas betreft van de ROC-opleiding Arts & Entertainment. Mensen met een professionele interesse dus; die willen daar zelf op het podium staan. Het verklaart hun bezieling en energie. Met het grootst denkbare respect voor de oudere bezoeker: jong publiek in het theater geeft reuring en dynamiek. Theater wordt hip, een voorstelling een ‘event’ – daar moet je bij zijn. Dat biedt hoop voor de toekomst.

Maar hoe zit het met de toekomst van dit publiek?

Nu gezelschappen moeten opdoeken en productiehuizen voor jong talent zijn verdwenen, zou je kunnen somberen over zo’n klas: al die leuke, begeesterde mensen die worden opgeleid tot werkloosheid. Maar volgens deskundigen is die angst alweer achterhaald. Schrijver en internetjournalist Ben Hammersley zei onlangs in Tegenlicht dat jonge mensen zich het beste maar kunnen bekwamen in iets wat een computer niet kan. Zoals kunst maken. Alles wat te maken heeft met feiten en logica, zei Hammersley, wordt binnenkort door de computer gedaan. Nóóit arts of advocaat worden dus; het is maar een kwestie van tijd voor de computer dat kan. Maar kunst, creativiteit, dat zijn puur menselijke eigenschappen. Daarin zijn wij uniek en onvervangbaar.

Vorige week zei Guggenheim-directeur Richard Armstrong in het Cultureel Supplement hoe hij als jonge man na de moord op John F. Kennedy vond dat politiek en rechtspraak volledig hadden afgedaan. Hij keerde zich tot de kunst, als middel om de wereld te hervormen. „Voor mij was niet van belang of ik een nieuwe Audi had, maar welke tentoonstelling ik had gezien”, zei Armstrong. Dat was vroeger. Nu is hij directeur van de Guggenheim Foundation, en bouwt hij wereldwijd musea als een vorm van mondiale artistieke ontwikkelingshulp.

Kunst en creativiteit als het ware kapitaal beschouwen kun je utopisch en naïef noemen. Maar Armstrong bewijst het tegendeel. En als we Hammersley mogen geloven is je leven wijden aan de kunst niet alleen bewonderenswaardig, het zou zomaar eens verstandig kunnen zijn.

Herien Wensink is redacteur theater