Defensie kan meer taken delen met Belgen

Intensievere internationale samenwerking tussen bevriende landen is een antwoord dat te zelden klinkt op de vragen die krimpende defensiebudgetten oproepen. Het is dus een goede stap dat België en Nederland het voornemen hebben uitgesproken om samen het luchtruim van de Benelux te gaan bewaken, waarschijnlijk met ingang van 2016.

De ministers van Defensie, Pieter De Crem (België) en Jeanine Hennis-Plasschaert (Nederland), ondertekenden afgelopen woensdag een Engelstalige Letter of Intent. Daarin wordt de voorgenomen samenwerking tussen beide landen bekrachtigd. Die strekt zich ook uit over Luxemburg, dat geen eigen luchtmacht heeft.

Het is de uitvoering van eerdere voornemens. Plasschaerts voorganger, Hans Hillen, maakte vorig jaar afspraken met zijn ambtgenoot De Crem. Militaire samenwerking ligt voor de hand. Nederland en België zijn buren en partners in de Benelux, de Europese Unie en, niet op de laatste plaats, de NAVO. Onderschepping in het luchtruim van vijandige of ongeïdentificeerde militaire luchtvaartuigen, de Quick Reaction Alert, is een NAVO-taak. Hierbij spreekt samenwerking al vanzelf. Wanneer het gaat om bijvoorbeeld terroristische activiteiten vergt dat een binnenlands optreden. Die besteden België en Nederland dus straks voor een deel aan elkaar uit, waarvoor een verdrag noodzakelijk is.

De beide landen verstevigen nu hun militaire samenwerking, die op maritiem gebied en in de lucht al langer bestaat. Bij de vervanging en vernieuwing van M-fregatten, oorlogsschepen, trekken België en Nederland samen op. Met Duitsland en Frankrijk vormen ze het European Air Transport Command om luchttransport efficiënter en effectiever te kunnen inzetten. Het zijn in wezen kleine vormen van coöperatie die, wil de NAVO en zeker het Europese deel daarvan op de gewenste militaire sterkte blijven, op grotere schaal navolging en uitbreiding verdienen. Dan gaat het niet alleen om operationele samenwerking, maar ook om gezamenlijk aankoopbeleid, waar nog een wereld valt te winnen.

Voor de bewaking van het gezamenlijke luchtruim is de aanschaf van specifiek de Joint Strike Fighter niet noodzakelijk. Deze opvolger van de F-16 komt er trouwens pas op zijn vroegst in 2019. Mocht de PvdA over haar nu publiekelijk geëtaleerde aarzeling heen stappen, zoals te verwachten valt, dan ontstaat er een parlementaire meerderheid voor het kabinetsbesluit om in de Verenigde Staten 37 JSF’s (F-35) aan te kopen. In dat geval heeft de samenwerking tussen Nederland en België wel een bijkomend voordeel. Omdat er dan meer vliegers beschikbaar komen voor de 32 toestellen die hier worden gestationeerd – vijf blijven in de VS – kan de bijdrage van Nederland aan internationale missies worden vergroot. Als de JSF’s dan toch worden aangeschaft, kunnen ze maar het best zo doelmatig mogelijk worden ingezet.