Bruckners ‘Vijfde’ is licht en dansant bij Harnoncourt

Voorvechters van de ‘historische uitvoeringspraktijk’ hielden zich ooit uitsluitend bezig met preromantisch repertoire: van Gregoriaans tot Palestrina, van Josquin des Prez tot Mozart. Vanaf de jaren tachtig werd ook de negentiende eeuw geëxploreerd. Roger Norringtons iconoclastische opname van de Beethoven-symfonieën zette de toon. Ook Nikolaus Harnoncourt (84) schoof in zijn lange carrière steeds verder op richting negentiende eeuw. Voor zijn afscheidsoptreden met het Concertgebouworkest koos hij een van de grote werken uit de Duitse laatromantiek: Bruckners Vijfde Symfonie.

Harnoncourts aanpak was onconventioneel: met een dunne, vibratoarme toon, een gefragmenteerde frasering en hoge tempi ging hij Bruckners symfonie te lijf. In de openingsmaten verdween de emotionele zwaarte. Het majestueuze, sacrale tweede thema van het Adagio veranderde in een blije, stralende cantilene. Climactische akkoorden liet Harnoncourt systematisch aan kracht innemen. Het resultaat was een Vijfde zoals je die zelden hoort: licht, dansant, bijna zorgeloos.

Maar wat levert deze ‘verlichte’ Bruckner op? Als we íets van de diepgelovige Oostenrijker weten, is het wel dat hij met z’n eigen bloed componeerde. De bedwelmende structuren uit de Vijfde Symfonie zijn alleen te begrijpen als product van een devote geest die religieuze vervoering wilde communiceren.

Het is dan ook de vraag wat van Harnoncourts Bruckner bij zal blijven. Haar lichtheid en transparantie? Of haar afstandelijkheid en gebrek aan emotioneel engagement?

Bas van Bommel