Anticommunist én compromisman: grondlegger van het huidige Polen

Tadeusz Mazowiecki (1927)

De eerste niet-communistische premier in het voormalige Sovjetblok leidde Polen slechts kort. Maar zijn morele gezag en politieke invloed was groot.

Op 25 augustus 1989 betrad Tadeusz Mazowiecki het spreekgestoelte in de Sejm, het Poolse parlement: als eerste niet-communistische premier in heel Oost-Europa sinds 1948. Een historisch moment. Hij kreeg er zelf prompt een flauwte van en moest buiten het gebouw van de Sejm worden bijgebracht.

Het aantreden van Mazowiecki was het sluitstuk van een spectaculair en ingrijpend politiek proces: eind 1988 begon in Warschau aan de ronde tafel een dialoog tussen het regime en de oppositie in de vakbond Solidariteit – de vrije vakbond die het bewind niet had kunnen bedwingen. In april 1989 bereikten ze een akkoord over halfvrije verkiezingen. De communisten zouden daarbij een gegarandeerd aantal zetels in de Sejm houden. De Senaat werd volledig vrij gekozen.

De verkiezingen van 4 juni 1989 werden een daverend succes voor Solidariteit: de vrije vakbond veroverde alle ‘vrije’ zetels in de Sejm en 99 van de 100 zetels in de Senaat. Het resultaat was Mazowiecki’s coalitie van communisten en niet-communisten.

Het aantreden van Mazowiecki was niet alleen een sluitstuk, het was vooral ook een begin: het begin van de ontmanteling van het communisme. Vóór het eind van 1989 viel het overal, in Hongarije, in de DDR, in Tsjechoslowakije, in Bulgarije en uiteindelijk, met een gewelddadige klap, zelfs in Roemenië, de hardste dictatuur.

Lech Walesa, leider van Solidariteit, kon zich niet verenigen met het compromis van Mazowiecki. Hij opende de aanval – een „oorlog”, noemde hij het zelf – en won. In december 1990 werd Walesa tot president gekozen.

Een maand na Walesa’s aantreden stapte Mazowiecki op. Maar in die zeventien maanden van zijn premierschap had hij wel de basis gelegd voor wat Polen nu is: een parlementaire democratie en een markteconomie.

Tadeusz Mazowiecki, jurist van huis uit, was politiek actief sinds 1958, toen hij, profiterend van de ‘dooi’ onder partijchef Gomulka, het katholieke maandblad Wiez stichtte. In 1961 werd hij parlementariër voor de christen-democratische Znak-groep, de enige oppositiegroep die toen in het Sovjetblok bestond. In 1968 protesteerde hij tegen de repressie van het studentenprotest en twee jaar later protesteerde hij weer toen het bewind met geweld arbeidersprotest in de Oostzeesteden onderdrukte. Hij mocht zich in 1971 daarom niet meer kandidaat stellen voor het Poolse parlement.

In 1976 sloot Mazowiecki zich aan bij het Comité ter Verdediging van de Arbeiders, een dissidente hulpgroep voor arbeiders. Toen in 1980 de vakbond Solidariteit werd gesticht, werd Mazowiecki een van de intellectuele adviseurs. Hij werd gearresteerd toen partijleider/generaal Jaruzelski in december 1981 de noodtoestand uitriep en Solidariteit verbood. Een jaar zat Mazowiecki gevangen. Toen Jaruzelski eind 1988 zijn windmolengevecht tegen Solidariteit opgaf, was Mazowiecki een van de belangrijkste deelnemers in de dialoog die begon.

Zijn laatste rol in de politiek speelde hij op de Balkan: de lange man met droevige gezicht en de uitstraling van vermoeidheid en treurnis werd voor de VN speciaal rapporteur voor de mensenrechten. Hij beschreef het drama van massamoord en etnische zuivering en marteling in achttien rapporten. Tot Srebrenica in juli 1995. Toen trad hij af, boos omdat de wereld „de afgrijselijke tragedie” in de enclave van Srebrenica had laten gebeuren, boos ook omdat de wereld tien dagen na de val van Srebrenica een vredesconferentie hield waarop met geen woord over het grootste bloedbad in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog werd gesproken. Zoals hij kort daarop tegen deze krant zei: „Kunnen we in het Europa van morgen geloven, als het moet worden opgebouwd door de kinderen van mensen die vandaag in de steek worden gelaten?”